HOOFDDOEK 7

In alle reacties op het artikel van Wubby Luyendijk over leerkrachten met hoofddoek of sluier op openbare scholen mis ik één aspect: het gaat er niet om of een leerkracht aanhanger is van een bepaalde leer, het gaat erom of de leerkracht in haar lesgeven daaraan uiting geeft. Op menige openbare school werkt een leerkracht van R.K. of orthodox-protestant-christelijke huize. Zij werken op die school `niet' om zending te bedrijven, maar omdat zij achter de gedachte staan van `onverdeeld naar de openbare school'. Aan niets laten zij merken dat zij een bepaalde leer aanhangen. (In zoverre hebben Nederlandse ouders daar ook geen enkel probleem mee.)

Het is alleen in dit opzicht dat aan leerkrachten een eis mag worden gesteld. De leerkracht moet volkomen afzien van enige vorm van uiting geven van eigen aangehangen leer.

In mijn eigen praktijk als hoofd van een school ben ik in de praktijk geconfronteerd geweest met een godsdienstleerkracht, die een duidelijk fundamentalistische opvatting van de bijbel verkondigde. Van de kant van ouders rezen hiertegen bezwaren. Het was aan mij de leerkracht te wijzen op de principes van de openbare school, waar hij een baan had geaccepteerd. Het was aan hem de consequenties daarvan te nemen/trekken.

Onder de gepubliceerde reacties was er één die ik wil onderschrijven, n.l. die waarin Liesbeth Schlichting bezwaar maakt tegen de sluier. Deze verhindert volgens haar de taalverwerving door kinderen. Volgens mij zou dit een duidelijke praktische reden voor de leerkracht moeten zijn om van het dragen van een sluier af te zien gedurende de les. Het gaat dan om de keus: volledige uitoefening van de taak als leerkracht óf haar probleem of zij werkelijk die sluier moet dragen gedurende haar werk. De school, de leerling mag het eerste verwachten.