Ein Heldenleben bestaat een eeuw

Ook honderd jaar na het ontstaan van Richard Strauss' egodocument Ein Heldenleben blijft het een moeilijk verteerbaar gegeven dat een componist zichzelf muzikaal als held karakteriseert.

Toch was Strauss niet wars van zelfspot. Hij omschreef zichzelf in woorden ooit als een `eerste klas tweederangs componist' en ondanks de overdadig uitgesponnen zelfverheerlijking is Ein Heldenleben in motivische opbouw en instrumentatie een proeve van het feit dat Strauss zichzelf met zijn verbale zelfschets te weinig eer aandeed.

Strauss droeg zijn Heldenleben in 1899 op aan Willem Mengelberg en het Concertgebouworkest, in ruil waarvoor zijn naam in gouden letters werd vereeuwigd op het balcon van Concertgebouw. Met de uitvoering die het orkest gisteravond bracht onder dirigent Mariss Jansons werd dus een kroon gezet op honderd jaar uitvoeringstraditie.

Wie de opname van Mengelberg uit 1941 beluistert, hoort een held van grootse romantische proporties. De held die Jansons gisteren kenschetste was er een van orkestrale subtiliteit – wat minder wat bombastisch, wat minder schmierend en dus wat minder negentiende eeuws heroïsch.

De kracht van Jansons aanpak schuilt in de manier waarop hij de waarde van elk fragment bepleit door de specifieke eigenheden van een passage te benadrukken. Helderheid staat daarbij voorop, maar nooit ten koste van een heroïek temmende luchtigheid.

Zware transparantie is Jansons' troef, en daarmee overtuigde hij zowel in de muzikale introductie van de held, in de tand om tand knallende twisten in Des Helden Walstatt als in Des Helden Friedenswerke, waarin Strauss zichzelf citeert in een potpourri van motieven. De inzet van Des Helden Widersacher had wat spitser gekund, de uitwerking van de vioolsolo in Des Helden Gefährtin klonk onder Mengelberg wulpser en aardser dan de levendige maar wat meer gepolijste uitwerking die concertmeester Alexander Kerr hier met volmaakte technische beheersing realiseerde.

Als opmaat tot Strauss heldenepos klonk het Eerste pianoconcert van Brahms. Pianist Yefim Bronfman onderscheidde zich hierin door zijn introverte speelwijze en even trefzekere als flexibele aanslag, en in de aard van zijn spel sloot hij aan bij Jansons aanpak.

Onder beider handen ontstond een visie op Brahms met ongehoord mooie fragmenten in het Adagio en een kraakheldere fuga in het Rondo. Jansons benaderde Brahms opvallend partituurgetrouw en zonder extremiteiten. Maar mét het inzicht dat nodig is voor een vertolking met rust in de noten en spanning in de muzikale zinsbouw.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons m.m.v. Yefim Bronfman, piano. Programma: J. Brahms: Pianoconcert nr 1; R. Strauss: Ein Heldenleben. Gehoord: 18/6 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 20/6. Radio: 4/7 14 uur Avro Radio 4.