De fotograaf is niet onschuldig

Seksualiteit met en van kinderen is bijna onverdraaglijk geworden, ook al is de maatschappij tegenwoordig doordrenkt met seks, meent Paul Schnabel. Justitie handelde dan ook juist door op de Attack!-tentoonstelling in Amsterdam foto's met blote kinderen in beslag te nemen.

Attack! is natuurlijk wel een erg pretentieuze titel voor een tentoonstelling met foto's van soms meer dan honderd jaar oud, maar de makers zullen nooit hebben durven hopen dat een officier van justitie er een oproep in zou horen om zelf tot actie over te gaan. Het besluit van het openbaar ministerie om de foto `Father and Son' van de expositie in Arti et Amicitiae te laten verwijderen en nog eens negen andere foto's als kinderporno aan te merken, heeft de tentoonstelling in ieder geval veel aandacht van de pers en ook behoorlijk wat extra bezoekers opgeleverd. Ook voor wie niet ging kijken, bleef er genoeg te beleven, want alle gewraakte foto's zijn in de media uitvoerig te zien geweest. Iedereen kon zo zelf zijn oordeel bepalen over het aanstootgevende van de foto's.

Vreemd genoeg is geen enkele krant tot nu toe vervolgd wegens het massaal tonen en verspreiden van de foto's. Daaruit blijkt al dat het bij pornografie, in ieder geval bij kinderpornografie, tegenwoordig in eerste instantie niet meer gaat om de vraag of iets getoond, laat staan gezien mag worden, maar of het gemaakt mag worden.

Volgens de wet is dat ook zo. In artikel 240 Wetboek van Strafrecht, dat betrekking heeft op `gewone' pornografie, wordt vooral het openlijk tentoonstellen van afbeeldingen die aanstootgevend zijn voor de eerbaarheid strafbaar gesteld. In artikel 240bis, dat specifiek betrekking heeft op kinderpornografie, gaat het om afbeeldingen van seksuele gedragingen, waar kinderen bij betrokken zijn die `kennelijk' de leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt. Het beroepsmatig produceren daarvan kan zes jaar gevangenisstraf opleveren, maar zelfs het simpele bezit ervan kan al met vier jaar gevangenis bestraft worden. Uit de hoogte van de strafmaat zelf en uit het verschil met de strafmaat voor gewone pornografie – waarvan het bezit bovendien vrij is – blijkt hoeveel zwaarder de wetgever tilt aan kinderpornografie. Het maken ervan wordt in feite beschouwd als een ernstige vorm van kindermisbruik. We hebben hier zeker niet te maken met een strafrechtelijk relict uit het verleden, waar een overijverige officier van justitie even het stof van afgeblazen heeft. Artikel 240bis is in 1995 juist wat de strafmaat betreft, welbewust aangescherpt en uitgebreid. Vorig jaar heeft de Hoge Raad daar nog een schepje bovenop gedaan in een arrest dat ook het privé-bezit van zelfs maar één enkel stuk kinderpornografie als een strafbaar feit beschouwt. Minister Korthals heeft ook al laten blijken wel te voelen voor een nog verdere aanscherping van de wet.

Artikel 240bis kent overigens wel een uitzondering op de strenge regel. Niet strafbaar is het bezit van kinderpornografie op grond van een wetenschappelijk, therapeutisch of educatief doel. Dat laatste mag een opluchting zijn voor de hoofdredactie, het helpt de organisatoren van de tentoonstelling niet. De artistieke waarde van de afbeelding of de status van de maker als kunstenaar levert geen uitzondering in de zin van de wet op. Toch beriepen de organisatoren zich in eerste instantie juist op dit soort argumenten. Het zou hier gaan om werk van grote en gevestigde kunstenaars, dat internationaal als waardevol gezien wordt en in standaardwerken terug te vinden is en bovendien meestal al gemaakt en verspreid is voordat de Nederlandse wetgever strengere regels ten aanzien van kinderpornografie ging stellen. Het is allemaal waar, maar het gaat voorbij aan de letter en de strekking van de wet, die aan de bescherming van het kind duidelijk meer gewicht toekent dan aan de artistieke kwaliteit van de afbeelding of de status van de maker.

Sterker is het argument dat op geen van de foto's sprake is van de strafbaar gestelde afbeelding van de betrokkenheid van een kind bij `seksuele gedragingen'. De meeste foto's laten niet meer zien dan een bloot jongetje in een pose die in iedere paleistuin al eeuwenlang de herinnering aan de klassieke oudheid levend moeten houden. Uiteraard kan daar weer tegen ingebracht worden dat geen jongetje eigener beweging zijn kleren uit zal gaan trekken om er zo aantrekkelijk mogelijk als een Grieks godje bij te gaan liggen. De hele enscenering is zodanig dat er bij de fotograaf meer dan alleen esthetisch genoegen in het spel zal zijn geweest. Maar hoe zwaar moet je dat laten wegen als het voorval zich een eeuw geleden heeft afgespeeld en de pornografische werking ongeveer te vergelijken is met die van een muurschildering in Pompeii?

De enige uitzondering vormt mogelijk de `Father and Son'-foto, waarop we een naakte man zien met een forse erectie en een stevige baby. Deze foto mocht toch gemaakt worden, zo is in reactie op de verwijdering gesteld, omdat de man de vader van het jongetje is en de moeder de foto in hun eigen slaapkamer heeft gemaakt. Bovendien is dat ook alweer bijna 40 jaar geleden gebeurd, is het jongetje zelf fotograaf geworden en vindt hij de foto prachtig. De directeur van het Holland Festival, onder wiens verantwoordelijkheid de foto-expositie valt, wees in het NOS-Journaal de ongeoefende kijker nog eens met nadruk op het spannende contrast in de foto tussen kracht en tederheid, hardheid en zachtheid. Niet vergeefs kennelijk, want de foto hangt inmiddels weer op zijn plaats en iedereen mag er voor zichzelf over denken hoe leuk hij het zou vinden voor het oog van de wereld samen met vader's erectie te kijk te hangen.

De raadkamer van de Amsterdamse rechtbank heeft het klaagschrift van de organisatoren van Attack! ontvankelijk verklaard en daarmee de actie van het openbaar ministerie toch ook wat belachelijk gemaakt. Het was natuurlijk ook niet handig om nu juist op een tentoonstelling in het kader van het Holland Festival tot de kunstcanon verheven en grotendeels al zeer oude en overbekende foto's plotseling in de schijnwerper van artikel 240bis te plaatsen. Pornografie van het meest ranzige soort is in de buurt van Arti op iedere hoek van de straat in ongelimiteerde hoeveelheden voor iedereen te verkrijgen en het was nog niemand opgevallen dat pedofielen en masse naar Arti trokken om daar in het bovenzaaltje aan hun gerief te komen. Ik denk ook niet dat de wetgever bij de verscherping van de wetgeving tegen kinderpornografie nu juist aan dit soort foto's in deze ambiance heeft gedacht. Dat hoeft overigens niet per se in de wet zelf duidelijk gemaakt te worden, want tot nu toe leek dat evident. Of het dat nog steeds is, zal blijken uit de behandeling van deze zaak door de Hoge Raad, want het openbaar ministerie gaat in cassatie.

Uit de opvallend strenge en nog strenger wordende houding van de wetgever ten opzichte van kinderpornografie en uit de heel uiteenlopende reacties die de actie van het openbaar ministerie heeft opgeroepen, kan worden afgeleid dat er meer en iets anders aan de hand is dan een overheid die op één van de laatste stukjes zedelijkheidswetgeving een ethisch reveil van de grond hoopt te tillen. Het gaat zeker niet om een ethisch reveil in de zin van een terugkeer naar oude normen en waarden. In de actie tegen Attack! worden juist nieuwe normen zichtbaar en wel op een gebied dat in de ogen van velen en te oordelen naar het televisieaanbod in de kleine uurtjes elke binding met moraal verloren lijkt te hebben: de seksualiteit.

In de hoogtijdagen van de seksuele revolutie, nu alweer bijna dertig jaar geleden, leek aanvankelijk ook het taboe op seksualiteit van en met kinderen te verdwijnen. Pedofielen gingen zich wat openlijker manifesteren en vormden hun eigen organisaties en werkgroepen ter verbetering van hun maatschappelijke situatie. Slagzinnen als `a family who lays together stays together' doorbraken in de sfeer van de underground en in de strips van Crumb ook maar meteen het taboe op incest. Het is uiteindelijk toch allemaal wat anders gelopen. Wat verdween was wel het taboe op het spreken over seks met kinderen, maar het taboe op het gedrag zelf werd juist veel sterker. Vooral door toedoen van de vrouwenbeweging werd duidelijk hoeveel ellende er achter het zwijgen verborgen zat en hoe vroeg in het leven van veel vrouwen het seksuele misbruik al begon. Grote onderzoeken als van Nel Draijer toonden in de jaren tachtig aan dat zo'n 16 procent van de vrouwen in de leeftijd van 20 tot 40 jaar oud in hun jeugd seksueel is misbruikt door verwanten. De helft van hen ondervond daarvan ook als volwassene nog de nare gevolgen, vooral in psychische zin: angsten, depressies, eetstoornissen, gebrek aan zelfvertrouwen, afkeer van seksualiteit.

De bevrijding van de seksualiteit heeft in onze samenleving niet, zoals weleens gedacht wordt, geleid tot een verdwijnen van iedere normering van seksualiteit. De normen zijn alleen heel anders komen te liggen. De verbodsmoraal van vroeger is een vormgevingsmoraal geworden, de echtelijke plichten hebben plaatsgemaakt voor de wens tot wederzijdse behaging en bevrediging. Partners dienen zich over en weer op elkaar te concentreren en zich af te vragen hoe ze het de ander naar de zin kunnen maken. In principe is seksueel gedrag vrij, maar wel op voorwaarde dat het om gedrag gaat dat door gelijkwaardige en in veel opzichten ook gelijke en maatschappelijk op elkaar gelijkende partners in blijvende vrijheid ten opzichte van elkaar wordt aangegaan. De seksuele omgang is zowel democratisch als egalitair en symmetrisch geworden. Onder die norm is tussen volwassenen geen plaats voor seksualiteit onder dwang (verkrachting binnen het huwelijk wordt allang niet meer gezien als een logische onmogelijkheid) en kan al helemaal geen plaats worden ingeruimd voor seks tussen volwassenen en kinderen. Formeel is dat in het Wetboek van Strafrecht ook al heel lang strafbaar gesteld, maar het taboe op seksualiteit als zodanig heeft lange tijd een actief beleid op dit gebied ook psychologisch onmogelijk gemaakt. Het werd niet getoond en dus ook niet gezien.

Achteraf lijkt dat een oogkleppenpolitiek die maar moeilijk te begrijpen is, maar het onvermogen om de werkelijkheid onder ogen te zien is in zijn gevolgen nog wel te reconstrueren, juist bij de weinigen die zich van de plicht tot zwijgen niet zoveel hebben aangetrokken. Wat wij nu seksueel misbruik zouden noemen, komt bijvoorbeeld in het werk van Freud met grote regelmaat aan de orde, maar zelfs in de gevalsbeschrijvingen – heel duidelijk bij Dora bijvoorbeeld – is er niets te bespeuren van een normatieve beoordeling of veroordeling van wat kennelijk tegen de wil van het meisje en in een situatie van afhankelijkheid seksueel is voorgevallen. Seks met kinderen is voor Freud een klinisch interessant gegeven, niet iets wat zou moeten veranderen of waartegen opgetreden moet worden. Hij constateert al vroeg heel zakelijk dat het kennelijk ook in zijn eigen familie en vriendenkring optreedt en pas als het hem te onwaarschijnlijk vaak lijkt voor te komen, concludeert hij dat het hier wel om fantasieën van patiënten moet gaan, maar nog wel tegen een achtergrond van vroeg misbruik.

Een generatie later was Kinsey zo gefascineerd door het idee dat iedere seksualiteit goede en gezonde seksualiteit is, dat hij ook in evidente gevallen van seksueel misbruik van kinderen in zijn beschrijvingen de lust toch laat overheersen. Zijn biograaf, James Jones, is daar een halve eeuw later weinig minder dan geschokt over. Alleen al het idee van misbruik die eigenlijk lust is roept nu een gevoel van verontwaardiging op, omdat wij het gedrag van de door Kinsey met zakelijke sympathie beschreven pedofielen beleven als een flagrante schending van de integriteit van het kind en als een minachting voor het kind als autonoom persoon. Anders dan Kinsey kunnen wij in de angst en de afschuw van een kind, dat door een volwassene seksueel benaderd wordt, niet meer een bewijs zien van de schade die de maatschappelijke onderdrukking van de seksualiteit ook bij kinderen al uitricht. Wij beleven het, net als het kind zelf, als een overmeestering die van het kind een object maakt.

Dat is zeker geen ontkenning van het feit dat kinderen seksuele wezens zijn of seksuele wensen kunnen hebben ten aanzien van volwassenen, wel een ontzegging van het recht aan een volwassene om daar gebruik, dat wil zeggen misbruik, van te maken. Dat misbruik beperkt zich niet tot het hebben van seks met kinderen of het filmen of fotograferen van kinderen in seksuele situaties, ook het verwerven en kijken naar dat materiaal kan een vorm van misbruik zijn. Te weten dat je via video's of foto's die van jou in omloop zijn altijd weer zult dienen als hulp bij zelfbevrediging kan voor kinderen en jongeren heel moeilijk te verwerken zijn. Dat heeft alles met zelfrespect en heel weinig met de houding ten opzichte van seksualiteit te maken.

Het is bijna een paradox te constateren dat de grotere maatschappelijke zichtbaarheid van seksualiteit juist het zichtbaar maken van seksualiteit met en van kinderen bijna onverdraaglijk heeft gemaakt.

Zelfs als wat er te zien is, op zichzelf onschuldig is – zoals de blote jongetjes op de Attack! tentoonstelling –, is de fotograaf toch allesbehalve onschuldig en dat maakt hem ook tot een pornograaf van een andere orde dan degene die met zijn camera vastlegt wat volwassenen zoal met elkaar doen. Zo ziet ook de wetgever het, want niet alleen is de strafmaat anders, maar waar bij gewone pornografie vooral de ongewilde en ongewenste confrontatie met expliciet materiaal de grondslag voor de strafbaarheid oplevert, is dat bij kinderpornografie al de productie zelf. Het hoort niet gemaakt te worden en het zou niet bekeken moeten worden.

Prof.dr. P. Schnabel is directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau en hoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht.