Culturele diversiteit is eigentijdse werkelijkheid en geen welzijnsitem

De cultuurnota van staatssecretaris Van der Ploeg verdient ieders steun, menen Judith Belinfante en Ben Hurkmans. Culturele diversiteit is wel degelijk een belangrijke zaak, die nu nog teveel wordt verwaarloosd.

Enige weken geleden vroeg de Erasmus Universiteit Rotterdam in een advertentie onderzoekers voor postdoc-plaatsen Maatschappijgeschiedenis en Kunst- en Cultuurwetenschappen. Twee van de onderzoeksprofielen waren `Dominante cultuur, multiculturaliteit en cultureel verschil in de moderne geschiedenis (vanaf 1500)' en `Internationalisering van kunst en cultuur, in Europees en mondiaal perspectief'. Thema's als de historische wording van het culturele element in de moderne naties en de theoretische reflectie daarop, culturele homogenisering en culturele diversiteit en transnationaal cultureel verkeer zijn mogelijke onderwerpen van onderzoek.

Wie schrijft dat de nota `Ruim baan voor culturele diversiteit' riekt naar welzijnsbeleid uit de jaren zestig en zeventig, heeft deze nieuwe ontwikkelingen binnen de wetenschap blijkbaar niet gevolgd. Daarnaast dient iedereen die dat beweert zich te realiseren dat 10 procent van onze bevolking uit migranten en hun nakomelingen bestaat en dat de nieuwe samenleving alleen kan slagen als we op basis van gelijkwaardigheid met elkaar kunnen omgaan. Op school, in de tram en ook in de cultuur.

Wat is het toch dat in de afgelopen jaren bij het onderwerp migranten, nieuwe Nederlanders en cultuur, altijd weer dezelfde reactie ontstaat. Een reactie die terugwijst naar het verleden maar nooit vooruitkijkt. Een reactie die uitgaat van de gedachte dat minderhedenbeleid achterstandenbeleid is en dat er dus nog altijd alleen maar sprake kan zijn van welzijnsbeleid. Dit alles terwijl vele migranten, hun kinderen en kleinkinderen HBO-opleidingen volgen en er al sinds de jaren vijftig een netwerk bestaat van Surinamers en Antillianen die in Nederland een universitaire opleiding hebben gevolgd.

Het diversiteitsbeleid zoals dat nu in de gemeente Amsterdam gevoerd wordt en door de Rijksoverheid gevoerd zou moeten worden, gaat niet uit van achterstandenbeleid. Diversiteitsbeleid gaat uit van ieders individuele mogelijkheden, onderkent verschillen, en rust zonodig toe voor de samenleving. Niet vanuit zwakte, maar vanuit kracht. Het gaat uit van een meerwaarde van multiculturaliteit in onze globaliserende wereld. Zoals de directeur van het Rijksmuseum niet zo lang geleden zei: ,,Nu zijn er suppoosten op de Aziatische afdeling die ook weten wat de betekenis is van de beelden die er staan.'' Maar er is nog een lange weg te gaan om deze gelijkwaardigheid werkelijk te bereiken.

Het lijkt wel alsof de aanwezigheid van de bijna anderhalf miljoen migranten – eerste-, tweede-, en derde generatie – in ons land in cultureel opzicht nog altijd niet wordt geaccepteerd. Alsof het dominante kwaliteitsdenken in de kunst zich maar niet kan voorstellen dat er andere culturen bestaan dan de westerse, elk met een eigen kwaliteit. Een kwaliteit die voor ons westerlingen verborgen blijft, tenzij wij bereid zijn ons werkelijk in een andere cultuur te verdiepen.

Want waarom zouden alleen onze eigen tradities van betekenis zijn en niet de culturele tradities van een andere plaats, die gevormd zijn in een andere tijd? Waarom wordt in de muziek wel dankbaar gebruik gemaakt van invloeden van andere culturen (fusion, cross-over) en niet of maar beperkt in de podiumkunsten? Waarom worden in televisieseries en programma's geregeld gekleurde acteurs en presentatoren gevraagd en in het toneel maar weinig? Waarom kunnen in Rotterdam, Den Haag en Amsterdam door een actief diversiteitsbeleid wel vele culturele uitingen ontdekt worden en binnen het rijksbeleid niet?

Wat maakt migranten en hun kinderen, waarvan inmiddels meer dan de helft Nederlands staatsburger is, anders? Niet hun kleur of andere geloof op zich, niet de andere cultuur, maar wel de onmacht van de dominante cultuur om met hun dubbele identiteit om te gaan, zeker als daarin een probleem schuilt dat niet is opgelost.

De postkoloniale migratie van Afro-caraïbische mensen, zwarte Surinamers en Antillianen, neemt als culturele bagage het slavenverleden mee. Voor een westers land dat actief is geweest in de slavenhandel niet gemakkelijk. Veel van de in die tijd gevormde sociale structuren zien we nu nog terug in Nederland. Eénoudergezinnen, sterke zelfstandige vrouwen, mannen die niet leven vanuit een gedachte aan continuïteit. Wie `Dubbelspel' van Frank Martinus Arion heeft gelezen weet, dat vanuit die achtergrond prachtige literatuur geschreven kan worden en dus ook theater kan worden gemaakt.

Sinds de heropening van de afdeling Vaderlandse geschiedenis van het Rijksmuseum aan het begin van dit jaar is voor het eerst aandacht besteed aan de West en de slavernij. Die geschiedenis is ook de onze en een goed deel van hun erfgoed wordt in Nederlandse instellingen beheerd, verborgen vaak tot nu toe.

De arbeidsmigranten uit de cultuurwereld van de Islam, Marokko en Turkije, zouden hier slechts tijdelijk wonen. Merendeels gekomen als ongeletterde gastarbeiders speelden ze geen rol in het culturele leven. Nu zitten hun kleinkinderen op school, gaan naar het museum en doen mee aan de projecten van 'Cultuur en School' of 'Erfgoed Actueel'. Tot nu toe werden invloeden vanuit andere culturen geïncorporeerd in die van het Westen, zoals de `a la Turca' mode en de chinoiserie aan het eind van de 18de eeuw. Maar nooit hadden we een zo grote bevolkingsgroep voor wie de Islam de kern van hun bestaan was. En nu doet zich de vraag voor hoe daar mee om te gaan.

Zowel de Afro-caraïben als Marokkanen en Turken leven met een dubbele culturele identiteit. Enerzijds in een Nederlandse samenleving met Nederlandse opleidingen, anderzijds in een sociaal netwerk van eigen cultuur en eigen taal. De versterking van het laatste was ook het beleid van de Rijksoverheid in de jaren die achter ons liggen. Maar als burgers van ons land, zijn ook zij deel van onze cultuur.

De Nederlandse cultuur wordt pluriform en de scheidslijnen lopen niet meer langs groepen mensen maar in mensen zelf. Er ontstaan culturele cross-overs en fusions, door de confrontatie met elkaars cultuur aan te gaan en de dubbele identiteit te aanvaarden. Ook als slavernij en Islam daar deel van uit maken.

Kunst vernieuwt zich voortdurend, nieuwe generaties kloppen aan de poorten voor een plaats in de wereld van kunst en cultuur. Deze nieuwe generatie kent veel nieuwe Nederlanders, die vanuit hun wereld willen werken. Net zoals altijd al het geval was, beginnen zij in kleine ruimtes, garages, voor publiek van vrienden en langzaam groeien zij door naar een volgende stap in hun ontwikkeling. Want vernieuwing in de kunst betekent ook voor de Rijksoverheid die ontwikkeling mogelijk maken, te stimuleren, talent ruim baan te geven. Sterker nog, als we dat na zouden laten, zou er kunst ontstaan die geen contact meer heeft met zijn publiek, lopen de zalen langzaam leeg na een vergrijzingsproces.

Kunst is autonoom, daar is iedereen het over eens. Maar iedere generatie schept een nieuw beeld binnen die autonome ontwikkelingen. Iedere generatie is ook een nieuw publiek, zowel voor alles wat al bestaat als voor wat leeftijdgenoten met nieuwe vormen scheppen.

De nota `Ruim baan voor culturele diversiteit' wil de confrontatie tussen generaties, tussen culturen, tussen kunstvormen, tussen media, op basis van gelijkwaardigheid mogelijk maken, het beschouwt de wederzijdse kennismaking als een creatief proces. Er is geld uitgetrokken voor kwalitatief goed cultuuraanbod vanuit de groepen, meer herkenningspunten binnen Nederlandse culturele instellingen en deelname zowel actief als passief aan festivals, concerten en theater binnen het algemene aanbod. Het gaat om ongeveer 50 miljoen, geld dat alle culturele instellingen die zich met deze culturele diversiteit willen bezig houden ook ter beschikking zal staan, van het Concertgebouw en Cosmic tot de harmonie in Hilvarenbeek.

Het is schokkend om te zien dat diegenen die in Nederland op het hoogste niveau werken in de kunst, die creatief zijn, en als eersten de nieuwe mogelijkheden zouden moeten toejuichen, zich afzetten tegen ontwikkelingen die op lokaal niveau, en in literatuur en muziek, al feiten zijn. De achterstand van de Rijksoverheid op het culturele diversiteitsbeleid vooral op lokaal niveau, moet nodig worden ingelopen om de aansluiting van de jonge generaties niet te missen en de vernieuwing van de kunst en van het publiek te stimuleren. Daarom is `Ruim baan voor culturele diversiteit' een interessant stuk.

Judith Belinfante is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie. Ben Hurkmans is directeur van het Fonds voor de Podiumkunsten.