`Zo galmt mijn vrije borst van uit der zonden prang'

Het Boek der psalmen bestaat uit 150 liederen en gebeden. Uit de Nederlandstalige vertalingen van de afgelopen vier eeuwen is nu een keuze gemaakt.

`Indien ik de troost en verkwikking der psalmen niet hadde, ik verging in mijn ellende', schreef Joost van den Vondel. Hij was niet de enige troost- en verkwikkingvinder in het bescheiden Bijbelboek dat de 150 psalmen bevat, getuige de lange lijst van Nederlandse psalmberijmingen vanaf de reformatie. Voordien was de Bijbel voor het volk een onleesbaar boek, immers alleen priesters en geleerden konden de Latijnse Vulgaat lezen. Toen de Bijbel ook in de landstaal verschenen was, kon men in kerk en huiskamer psalm-evergreens als `Hijgend hert der jacht ontkomen... (ps.42) of `Welzalig hij wiens misdaad in dit leven...' (ps.32) voor het eerst verstaanbaar laten opklinken. In deze verzameling hoop-, geloof-, liefde-, boete-, klaag-, verzoenings-, lijdens-, reis-, lof-, natuur-, (duivel)bestrijdings-, messias-, genade-, bedevaart-, oorlog-, bevrijdings-, watersnood- of onweersliederen wordt het brede spectrum van het menselijk gemoed wel zo ongeveer bestreken. En de psalmen sloegen dan ook meteen aan. Van de eerste volledige Nederlandse berijming, de Souterliedekens uit 1540 werden tot 1613 maar liefst drieëndertig drukken opgelegd, de roemruchte Dathenus-editie (uit 1566) beleefde er 120.

Het probleem blijft altijd weer in welk Nederlands het volk de psalmen onder ogen te brengen. Hooggestemd en lyrisch, of in eenvoudige taal? Na de Souterliedekens tellen we tot heden bijna veertig integrale berijmingen, afgezien van afzonderlijke psalm-overzettingen. Je hoeft het hert maar op te voeren om te zien hoe verschillend het kan hijgen. In de 1630-berijming van Dirk Raphaelsz Camphuysen lezen we `Een dorstig hert dat voor de Honden vliet/ Verlangt soo seer na `t versche water niet', Gabriël Smit maakte er in 1952 `Als een hert brullend van dorst in een land zonder water' van, mijn Statenbijbel uit 1908 geeft `Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen'. De Vaassense predikant Goddaeus ten slotte begon psalm 42 in 1656 met

Als `t veld-vluchtige hert met

binnen-flamme bevangen

Seer inbrunstelik hygt en schreeut naar woelende beken.

Ware poëzie van Goddaeus. Prachtig. Maar kan het ook gezongen worden? Ik herinner mij een hijgend hert-versie die altijd als `der jacht ontko-ho-men klonk, en bij te vaak `ho' stopt alle gezang als vanzelf. Als berijmer moet je terdege rekening houden met de melodie. Willem van Zuylen van Nyevelt, aan wie de Souterliedekens worden toegeschreven, maakte gebruik van populaire wijzen als `Roosken root seer wydt ontlooken' (Ps.2), `Die my eens te drincken gave (Ps.137) of `Die bruyt en wou niet te bedde' (Ps.150). Sinds 1565 gebruikte men echter overwegend de `voysen en maten' van de Fransman Clement Marot die als `deghelic en ghestadelic' werden beschouwd.

De reus der berijmingen is de Dathenus-editie van 1566, die onmiddellijk in de gereformeerde kerken werd aangenomen. Gek genoeg is deze populairste psalmberijming aller tijden niet erg voortreffelijk. `Men heeft altijd wel gezien dat zij verre van fraai was', zegt K.F. Proost in zijn De Bijbel in de Nederlandsche Letterkunde (1935) `Zij zat vol bastaardwoorden, was in typisch Vlaamsch geschreven, en vertoont verder onbeholpen woordkeus en stootende maat'. Dathenus blijkt gewoon geluk te hebben gehad met zijn berijming. Die verscheen vlak vóór de grote Geuzenpreek in Gent en werd daar in groten getale verkocht, omdat het de enige beschikbare, volledige editie was. `Sinds vergezelde zij de vaderen in den kerker en op het schavot, bij vlucht en ballingschap en (niet minder) bij gevecht en belegering in die onvergetelijke guerilla van 1568 en volgende jaren'.

Als in 1580 het veel dichterlijker Boeck der psalmen Davids van Marnix van St. Aldegonde verschijnt, blijkt hoe moeilijk het is gelovigen nog te bewegen de ingestudeerde Datheen-teksten door andere te vervangen, die bovendien minder eenvoudig waren.

In 1745 barstte discussie los, toen de Middelburgse dominee Andreas Andriessen het bestond over de vooral bij de `kleyne luyden' zo geliefde berijming te spreken als `'t laffe en zoutloos woordenlym van 't oude en ongerymt Datheensche rym'. Een stadgenoot, de boekhandelaar Petrus Dathenus (familie) protesteerde, en dat werd weer de aanleiding voor Andriessens Aanmerkingen opde psalmberymingen van Petrus Dathenus uit welke het algemeen gebrek van taal-en dightkunst, onhebbelijke wantaal van psalm tot psalm voorkomende, en ongelykvormigheidt aan de text blykt' (1750). Het gekrakeel zou in 1773 leiden tot een nieuwe synodale vertaling, een samenwerking van verschillende dichters.

De meest recente, vergelijkbare poging om tot een `definitieve psalmvertaling' te komen dateert van 1943, toen de Algemene Synodale Commissie van de Nederlandse Hervormde kerk dichters als Nijhoff, Heeroma, J.W.Schulte Nordholt, A.C. den Besten en G. Kamphuis mobiliseerde. Het resultaat was het Liedboek voor de kerken (1968), dat twee jaar later in de meeste gezindten werd aanvaard. Nu is er een nieuwe verzameleditie verschenen, samengesteld door Margaretha H. Schenkeveld en Maria A. Schenkeveld-van der Dussen: Het is begonnen met David. De honderdvijftig psalmen in het Nederlands berijmd, vertaald, bewerkt door 47 Nederlandse dichters uit vijf eeuwen. Berijmingen door dichters als Bilderdijk, Revius, Ida Gerhard, Constantijn Huygens. Martinus Nijhoff, Huub Oosterhuis, Vondel, Willem de Mérode en vele anderen. Weliswaar zijn niet alle dichters in Het is begonnen met David even bevlogen, maar de parels liggen voor het oprapen. Schitterend is de vertolking van psalm 148 door Justus de Harduyn (1582-1636), via de natuur een lofzang op God:

Gijliên die God ontsteekt, gloeiende

donderstralen

Als Hij die Oost en West lichtelijk

overzendt,

Die Hij dan aan een rots `t hoofd doet in stukken malen.

Ieder zijn eigen psalmberijming. Zo hield de Duitse natuurvorser Humboldt meer van psalm 104, `een Kosmos in het klein'. Ik weet niet welke overzetting hij kende, in de Schenkeveld-collectie is de minder bevlogen versie van Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789) van dit natuurpsalm opgenomen:

De ontembre zee houdt stand, waar

't God gebiedt;

Zij overschrijdt de vaste stranden niet;

Zij ziet haar macht door hoger machte betomen,

En zal deze aard nooit weder

overstroomen.

Ouderwets bevlogen, zoniet ronkend is de Bilderdijk-versie van boetpsalm 51:

Zo galmt mijn vrije borst van uit der

zonden prang

Uw lof, geduchte God, in juichend

maatgezang!

Geen offer is uw eis, geen bloed van

outerdieren,

Geen rokend ingewand van ram- of runderspieren;

Nee, maar `t verbroken hart in biddend zelfbedwang.

Wie dan de eerste regel van de Gabriël Smit-vertolking van het volgende, vermanende Psalm 52 leest, ziet meteen het plezier waarmee de samenstelsters Het is begonnen met David hebben gerangschikt: `Zet toch geen hoge borst op, krachtpatser...' Inderdaad, niet alleen als mens maar ook als dichter kon de krachtpatser Bilderdijk wel wat biddend zelfbedwang gebruiken. En wie - zoals ongetwijfeld het duo Schenkeveld, beiden hoogleraar in de Nederlandse Letterkunde - weet dat Willem de Mérode werd veroordeeld voor pedofilie, verbaast zich niet dat uitgerekend van hem de overzetting van Psalm 56 is opgenomen:

Gij kent mijn zwervingen en weet mijn wanen

In uw fles verzamelt Gij mijn tranen.

Niet alle historische berijmingen lezen even gemakkelijk. Voor de tegenwoordige lezer valt Vondels zeventiende-eeuws niet mee. De samenstelsters hebben de taal van oudste berijmers begrijpelijkerwijs gemoderniseerd. Jammer is wel dat ze in Het is begonnen met David geen psalm hebben opgenomen van de zeventiende-eeuwse mozaïek-berijmer Hendrik Ghysen, al noemen ze hem in hun inleiding wel. Ghysen koos niet de beste psalmversies uit de zestien berijmingen die hij tot zijn beschikking had, maar de beste regels. Zodat Dathenus, Revius, Marnix of anderen zich collectief verantwoordelijk mochten noemen voor een echt Ghysen-psalm, in de trant van `De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining; denkend aan Holland ging ìk naar Bommel om de brug te zien', een mooi vaderlands gedicht van Kloos, Marsman en Nijhoff.

Over de psalmen zijn veel boekdelen te vullen en dat is ook inderdaad gebeurd, door exegeten als Buttenweiser, Hengstenberg, Gunkel en Maillot. Net als enkele andere Bijbelboeken roept Psalmen bij voorbeeld het probleem der profetie op. Wordt in Psalm 2 Jezus' (eeuwen) latere aantreden voorzegd (`De Here heeft tot mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik u gegenereerd`)? De negentiende-eeuwse, protestantse dichter Isaac da Costa blijkt ervan overtuigd, in het schitterende essay dat hij in zijn Bijbellezingen aan Psalmen wijdde. `Het Evangelie loopt als eene weeke stroom onder het harde rotsgebergte van het Oude Testament door'. Is David de dichter van de psalmen? Da Costa hangt genoemd essay aan het `ja, inderdaad' op. De psalmen zijn zo rijk, omdat David alles gebeurde wat een mens zoal kan overkomen, de psalmpoëzie is zo groots omdat David ze bovendien zo doorleefd opschreef.

Da Costa's opvatting bleek onjuist. `Dat de historische David psalmen vervaardigd heeft is een zienswijze die dagteekent uit een periode waarin men de volksgeschiedenis veranderd heeft in kerkgeschiedenis', schreef de Groningse theoloog Wildeboer in 1903. Het maakt het essay van Da Costa niet minder meeslepend. Eén opvatting van hem blijft niettemin actueel: `Het is een teeken van bederf, waar de Psalmen als uitdrukkingen van het geestelijk leven, en als huis en tempelzangen niet meer geacht, of wel geheel afgeschaft worden'. Zo is het, al was het maar omdat de psalmen zoveel prachtige poëzie bieden.

Leven de psalmen nog in onze dagen? De kleurrijke bundel Het is begonnen met David is er één teken van. Navraag bij de Christelijke Lectuur Centrale leert dat de in 1773 door de Synode van Dordrecht aangenomen berijming nog steeds te koop is, benevens de psalmen en gezangen `voor de eredienst der Nederlandsch Hervormde Kerk' uit 1938. Digitaal boekhandelaar Bol (www.nl.bol.com) biedt een enorme hoeveelheid titels aan, die ook in de gewone boekwinkel verkrijgbaar is. De psalmen in de Willebrord-vertaling in pocket bijvoorbeeld, voor slechtzienden ook beschikbaar in grote letter-editie. De katholieke versie uit 1997 is gebonden te koop, een jaar later samen met het integrale Nieuwe Testament uitgebreid tot een huwelijks-editie.

Leven de psalmen ook nog buiten die, alle beschikbare, edities? Wat zegt Internet? Via Mamma (`The Mother of all Search Engines') komen we op www.credenda.org, waar Douglas Wilson verklaart dat de psalmen nog steeds een potentiële kracht vertegenwoordigen en juist weer in de publieke viering terugkomen. We stuiten vervolgens op de CD Psalms and Elegies van Aardvark Jazz Orchestra, men wordt gewezen op de reggae-platen van de groep Confrontation (www.psalmrecords.com) en belanden tenslotte op de site die de `Grundprinzipien der Hospizbewegung' bevat, waar de dingen worden geïnventariseerd die de huidige stervende mens zoal zegt. Véél beeldtaal met sleutels, dichte deuren en het gevoel verlaten te zijn, uitgedrukt in Eli eli, lama sabachtani!

En dat zijn woorden uit psalm 22, in Het is begonnen bij David door K. Heeroma overgezet:

Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij

en blijft zo ver, terwijl ik tot U schrei?

Jezus kende deze psalm ook, hij citeerde Eli Eli et cetera aan het Kruis. Even zal hij hebben gewanhoopt, vast niet lang. Want ook psalm 22 biedt waar Vondel over spreekt:

Gij hebt verhoord! O God, mijn Heer, ik zal

U loven voor al mijn broeders overal

en in de kring van uw verkoren tal

uw naam verkonden.

Het Boek der psalmen. Troost, verkwikking voor sommigen, voor velen eeuwig houdbare poëzie.

Margaretha H Schenkeveld en Maria A. Schenkeveld- van der Dussen: Het is begonnen met David. De honderdvijftig psalmen in het Nederlands berijmd, vertaald, bewerkt door 47 Nederlandse dichters uit vijf eeuwen. Meinema, 364 blz. ƒ55,–