Vijftien bassisten op de stoep

,,De jazz kun je nooit vastleggen,'' zei een jazzmuzikant. Gelukkig is er toch veel van deze bewegelijke muziek op film terechtgekomen.

Midden in People Will Say We're in Love van Ella Fitzgerald met Ellis Larkins aan de piano begaf de platenspeler het voorgoed, `sweetheart, they're suspecting things', dat zong ze nog net. `t Was een beeldschoon geschenk uit het midden van de jaren tachtig, met een naald die na de laatste groeven doorreisde, zich net buiten de plaat alsof hij op z'n kop ging staan omdraaide en daarna onzichtbaar de andere kant bespeelde. Zo lang je maar wilde, daar zorgden de knoppen Both Sides en Repeat voor.

Dit keer was er geen beweging in te krijgen. Ik probeerde hem te laten maken, maar de zaken die ik bezocht zagen er niets meer in. 33 toeren, te oud, waarom gaat u niet voorgoed op cd over? Dat was allang gebeurd. Het had geen zin deze halsstarrige deskundigen nog eens uit te leggen dat met de teloorgang van de platenspeler honderden jazzmusici en andere muzikanten met stomheid waren geslagen.

Als je goed zocht was het misschien mogelijk dezelfde muziek op cd te kopen. Nee, dan veranderde je al die min of meer toevallige aankopen in een systeem. Sommige platen van King Oliver en Charlie Parker waren nog gekocht bij Discotone, de zaak die de drummer Hank van Leer meer dan veertig jaar geleden in de Amsterdamse Lange Leidsedwarsstraat op nummer 17 leidde.

Het Concertgebouw, een nacht in het midden van de jaren vijftig. De saxofonisten zijn naar de rand van het podium gelopen. Ze spelen Flying Home zo hard dat het publiek, keurig over de zaal verdeeld, het niet meer houdt. Er wordt voor het eerst iets van de bezoekers gevraagd en ze zullen het geven ook. De trompettisten zijn al spelend naast de saxofonisten gaan staan. Een paar bezoekers lopen naar voren en even later is de zaal zo goed als leeg. De massa deint vlak voor de muziek. De trombonisten komen erbij, een vriend van me wordt tegen het meisje voor hem gedrukt. Ze sluit haar ogen. Flying Home, achter de blazers heeft Lionel Hampton zijn vibrafoon in de steek gelaten. Hij staat op een trommel, springt op een trommel, het hoofd van het meisje rust al een paar minuten tegen de schouder van m'n vriend. Dan zucht ze diep en opent langzaam haar ogen, net op tijd om te zien dat de muzikanten het podium verlaten, tussen de rijen doorlopen met het publiek achter hen aan.

Een paar maanden eerder of later loopt de altsaxofonist Sahib Sihab, een Amerikaan die zich tot de islam heeft bekeerd, in hetzelfde gebouw naar de microfoon. Gaat hij zingen? Hij heeft zijn saxofoon niet bij zich. Even lijkt het of hij begint te scatten, alleen maar scherpe klanken, geen enkel woord. Ongeloof in de zaal, je hoort het aan het gekuch, aan het geschuifel van de schoenen. Dit is geen scatten, maar boeren. Je kunt nog zeggen dat Sihab ritmisch boert, maar hij doet geen enkele poging er iets muzikaals van te maken.

Sihab treitert het publiek openlijk, een performance als in de beeldende kunst aan het eind van de jaren zestig. Vanaf m'n plaats op het podium zie ik het pukkelige gezicht van een klasgenoot op een van de eerste rijen. Eerst kijkt hij hoogst verbaasd en pas daarna lacht hij diep instemmend. Op dit geboer, dat door geen instrument wordt begeleid, heeft hij zonder het te weten gewacht.

Het optreden van Billie Holiday is een van de latere concerten. Op dezelfde avond speelt het trio van de vibrafonist Red Novo met Red Mitchell, bas en Tal Forlow, gitaar, zo'n ad hoc samengesteld programma van muzikanten die door Europa reizen.

Holiday loopt onzeker over de hoge trap naar het podium, drank, drugs, misschien alle twee. Haar jurk krult op de schouders te feestelijk omhoog. Haar lichaam is vergaan en dat weerstreeft ze niet. Ze zingt erover met elk beschadigd woord van I Cried for You en zeven andere nummers. Na afloop lees ik de titels op zo'n goedkoop vaalgeel bloknootvelletje dat op de piano is blijven liggen, het Amsterdamse repertoire.

De schat van Kok

Ergens in Amsterdam bevindt zich de schat van Peter Kok. Daaruit en uit enkele Amerikaanse en Europese archieven heeft het Filmmuseum geput voor All that Jazz - jazzdocumenten vanaf de jaren dertig. Het programma is vanaf 22 juni tot 4 juli te zien, als bijdrage aan het festival American Adventures van het Koninklijk Concertgebouworkest.

Twee jaar geleden mocht ik voor een programma in De Balie een deel van Koks verzameling bekijken. Nooit geweten dat Bessie Smith, de keizerin van de blues, ook is gefilmd. In St. Louis Blues (1929) zingt ze het titellied. Hoeveel harder klinkt ze niet dan op een grammofoonplaat uit die dagen of lijkt dat maar zo omdat je haar lippen ziet bewegen? Ook Hallelujah uit hetzelfde jaar heeft een volledig zwarte bezetting. Beide films zijn in het Filmmuseum te zien.

Films met grote namen als Ellington, Monk, Blakey, Rollins en Mingus wisselt Kok in zijn projectieruimte af met kortere producties, soms maar enkele minuten lang. Er is een filmpje van Fats Waller met Honey Suckle Rose, June Christy zingt bij het orkest van Stan Kenton en het trio van Nat King Cole speelt Got a Penny Benny. Steeds meer komt het accent op de jaren veertig, begin vijftig te liggen. Dan herinner ik me dat aan de afbraak van het Concertgebouw door Hampton, Sihab, Holiday en de andere muzikanten nog iets anders vooraf is gegaan, de jazzfilms die door hun korte duur en variété-achtige karakter in de vergetelheid zijn geraakt.

In de zomer van 1945 is de grote verspreiding van de jazz in Nederland begonnen, niet alleen op de radio maar ook in de bioscoop. The American Forces Network, de discjockeys Pete Felleman en – wat later – Michiel de Ruyter lieten de muzikanten met grote regelmaat horen, maar in de bioscoop waren ze toen al werkelijk te zien.

Het filmaanbod was zo groot dat je het niet meer bij kon houden. Het was voor de meeste muzikanten niet meer dan een schnabbel en toch gaven ze alles wat ze hadden. Ivy Anderson zong in A Day at the Races (1937) van The Marx Brothers met leden van een niet genoemd orkest All God's Children Got Rhythm, ze had korte sokjes en een tweedrok aan. In To Have and Have not met Humphrey Bogart en Lauren Bacall zong Hoagy Carmichal met een tandenstoker tussen z'n lippen Am I Blue. Weer wat later zag je het hele Benny Goodman kwartet in A Song is Born (1948). Het verhaaltje om Danny Kaye deed er niet toe. Het ging om de razendsnelle muziek, die alles beloofde wat er maar te beloven viel. De tapdansers Buck en Bubbles tapten zich in dezelfde film naar de hemel.

De mooiste films duurden maar kort. Ze maakten deel uit van het voorprogramma in de buurtbioscoop. Daar zong Nat King Cole met opgestoken handen Destination Moon en raakte een man die Duke Ellington heette de piano heel zacht aan, anders zouden de toetsen misschien breken. Hij droeg een sneeuwwit pak.

Misschien dat Peter Kok ook die twee filmpjes nog eens te pakken zal krijgen. Er zit iets groots in zijn pogingen ook de muziek te verzamelen die alleen om wat geld te verdienen is gemaakt. Autour d'un trompette heeft een productie van ruim negen minuten in opdracht van de muziekinstrumentenbouwer Selmer. De trompettist Roy Eldridge en de tenorsaxofonist Don Byas spelen in 1951 samen met enkele Fransen, zomaar, het zal misschien jaren duren voor ze elkaar weer zien. ,,De vocaliste is helaas onbekend'', schrijft Kok in 1989. Voor een idiot savant doemt altijd de droom op van de totale volledigheid. Zeven jaar later kent hij haar naam en die klinkt als het meisje dat zingt bij het schoolorkest, Yetta Lee.

Chet Baker

In het Filmmuseum is op 19 juni om half acht Let's Get Lost van Bruce Webber te zien. Deze film over de trompettist-zanger Chet Baker is in de maanden voor zijn dodelijke val uit een hotelraam aan de Amsterdamse Prins Hendrikkade gedraaid. Baker praat met groot ontzag over zijn medespelers, net als in As Though I had Wings, zijn herinneringen die met de ondertitel The Lost Memoir twee jaar geleden bij The Saint Martin's Press in zijn New York zijn verschenen. Vorig jaar kwam in paperback een Britse editie van het boek uit.

Het begin speelt zich af in de winter van 1946 en de lente van 1947. Baker zit in Berlijn en speelt trompet in het Amerikaanse leger. Hij zeilt veel op Lake Wansee, zoals hij dit beruchte meer noemt. Aan de oever ligt het landhuis, waar enkele jaren eerder het besluit werd genomen om de joden uit te roeien. Als hij zeilt heeft de jonge Baker een draagbare radio bij zich. Midden op dat Duitse meer hoort hij zijn eerste moderne muziek, Stan Kenton en Dizzy Gillespie.

As Though I had Wings is een gedempt gespeelde zoektocht naar heroïne. De muziek zelf probeert Baker niet te beschrijven. Terug in Californië heeft hij het over een auditie die hij bij de toen al beroemde altsaxofonist Charlie Parker moest doen. Hij was nog geen twintig, maar werd gekozen. Parker, schrijft Baker, hield van Mexicaanse pannenkoekjes met een groene saus. Hij keek soms een half uur naar hoe de branding werd stuk geslagen op de rotsen.

Parker en Baker traden een paar avonden op met Ella Fitzgerald en met de pianist Dave Brubeck, een smeltkroes van verschillende stijlen. Wat later werkte Baker met de Dixieland-klarinettist Freddie `Schnicklefritz' Fischer, die het liefst op een rubberen mat in de vorm van tientallen vrouwenborsten speelde.

,,Het was grappig een beetje Dixie te spelen'', schrijft Baker. New Orleans, Chicago, swing, bop, cool, de scheiding tussen al die verschillende stijlen vond hij onbelangrijk. Flying Home tussen de stoelen van het Concertgebouw, het boersalvo van Sahib Sihab en de rubberen borsten van Schnicklefritz, het komt uit dezelfde bron.

Te hard

In het Amsterdamse BIM-huis traden de pianist Art Hodes en de slagwerker Han Bennink samen op. De Amerikaan was een jaar of veertig ouder dan zijn Nederlandse collega. Hij speelde al in de jaren twintig en vertelde me in de pauze dat hij King Oliver en Bix Beiderbecke nog had meegemaakt, legendarische trompettisten uit het begin van de jazz.

Bennink speelde groots, maar hard, te hard misschien voor Hodes. Hij was in de tachtig en moest het van allerlei zachte finesses hebben. Ineens hield hij ermee op. Hij legde zijn armen op zijn schoot en keek naar Bennink. Die drumde of er niets aan de hand was keihard door. Was de stilte van Hodes een protest van de oudste jazz tegen een volkomen andere manier van spelen? ,,Fantastische man, die Bennink'', zei Hodes later tegen me. ,,Ik wilde gewoon even rustig naar hem luisteren.''

Die verscheidenheid is in het Filmmuseum niet alleen te horen, maar ook werkelijk te zien. Ga anders zomaar, zonder iets te verwachten, kijk en luister naar Monck en Rollins, maar ook naar de onbekenden uit Koks archief. Toen men Louis Armstrong eens vroeg wie hij de beste jazzmuzikant vond, begon hij over New Orleans. Daar speelden trompettisten die nooit een plaat hadden gemaakt. En juist zij hadden gespeeld of hun leven ervan afhing.

Een aantal jaren geleden sprak ik in een New Yorkse club de pianist Hank Jones. We kregen het over een paar opnamen die hij in het begin van de jaren vijftig met Charlie Parker had gemaakt en die door de kapotte platenspeler voor mij onbereikbaar waren geworden.

,,Lang geleden al weer'', zei Jones. ,,Let nu liever op de jonge Bill Charlap, een grootse pianist.''

Ik vroeg hem wat de jazz voor hem betekent. Zoiets mag je misschien niet vragen, maar Jones gaf er wel antwoord op. ,,Neuken, natuurlijk'', antwoordde hij. ,,Waarom dacht je dat het hier vanavond zo vol was? Maar ik wil je ook wel een ander antwoord geven.''

Met een malicieus gezicht begon hij te vertellen over een vriend die hij niet met name noemde. Hij beschermde hem nog steeds. Het was een muzikant die met verdraaide stem een bassist had opgebeld. Er was een gig, een schnabbel, daar en daar, op dat en dat uur. De bassist verscheen, samen met een groot aantal andere bassisten, al die logge instrumenten op de hoek van een straat. De vriend van Jones had er wel vijftien gebeld. Hij zag ze komen door het raam van z'n flat op de vierde verdieping aan de overkant van de straat.

Ik vroeg of er een foto van de groep was genomen. ,,Natuurlijk niet'', zei Jones lachend. ,,De jazz kun je nooit vastleggen, al zijn er nog zoveel platen gemaakt. `t Meeste is nooit opgenomen.''

Wie zouden er op die straathoek hebben gestaan? Henry Turner, van het Claude Hopkins Orkest of anders wel Bob Ysaguirre van Don Redman and His Orchestra. De bassist Mose Allen maakt ook een kans, hij speelde bij Jimmy Luceford. Junior Raglin misschien als hij vrij krijgt van Duke Ellington, Jimmy Lewis, Ron Mathewson en enkele andere bassisten uit het archief van Kok dragen hun instrument naar die straathoek in New York. Een man met zo'n dienende naam, de bassist onder de reparateurs, zal later toch nog al m'n 33-toeren-muzikanten uit hun slaap wekken, hij werkt aandachtig en precies, heeft alle tijd.

Na het bezoek aan de club van Hank Jones ga ik naar The Knitting Factory, waar de nieuwste jazz wordt gespeeld. De zoon van de drummer Roy Haines speelt Sweet and Lovely op z'n trompet in de stijl van Theloneous Monk, helder en luid.

Ella Fitzgerald zit aan het tafeltje naast me. Ze treedt allang niet meer op, luistert met overgave naar een bassaxsolo die de ruiten bijna laat springen. Aan het eind van de sessie loopt de jonge Haines naar de microfoon en verwelkomt haar. Ze krijgt een denderend applaus. `A tisket, a tasket' luistert naar de laatste geïmproviseerde muziek. Ze kent vast het verhaal van de vijftien bassisten, dat ik later nog wel vijf keer hoorde, het broodje aap van de jazzmuzikant waarmee de al te nieuwsgierigen het bos in worden gestuurd.

Daar in New York herinner ik me hoe ik haar veertig jaar eerder in het Concertgebouw hoorde zingen. Ze droeg een vuurrode jurk en wuifde zich koelte toe met een wit zakdoekje. Of ze depte haar voorhoofd ermee. Ze liet het vallen bij de woorden `You haunt me', van In My Solitude, begeleid door de pianist Tommy Flanagan, maar ze raapte het niet op. Ook niet in de pauze, ze liet het liggen en liep over de hoge trap naar boven.

Het zakdoekje werd vlug door iemand anders opgeraapt. Jammer genoeg niet door mij. Ik zat er te ver vanaf.

`All that jazz' 24 juni t/m 7 juli, dagelijks 20.30 uur Filmmuseum, Vondelpark 3 Amsterdam. Inl. 020 5891400