Verpersoonlijkte politiek is kwalijk

De verpersoonlijking van de politiek is een eigentijds gegeven. Blair is New Labour, zoals Schröder de Neue Mitte is en Kok voor Paars en het poldermodel staat. Het zijn, politiek gesproken, lege hulzen die al naar gelang de behoefte aan profilering worden gevuld. Een sterk staaltje laat de rel om de varkenswet zien. VVD-minister Van Aartsen zet de boeren de pin op de neus, D66-bewindsman Apotheker haalt de watten weer te voorschijn, D66-minister Brinkhorst keert terug naar de harde lijn. De koerswendingen hebben alles te maken met de persoon van de minister en niets met de partij waaruit hij voortkomt en het programma waarvoor die partij zegt te staan. Nog even speelde Apotheker de pragmaticus die rekening wilde houden met het voldongen feit van een rechterlijke uitspraak. Maar afgaande op wat de ex-minister allemaal heeft geopenbaard na zijn aftreden, heeft hij gehandeld uit de diepgevoelde overtuiging dat hier een beroepsgroep op het altaar van het algemeen belang werd geofferd.

Gemakshalve kunnen we dit emotiepolitiek noemen. De ene bewindsman praalt met zijn doorzettingsvermogen, de andere met zijn gevoel voor verhoudingen. Op die manier verdwijnt de vraag waarom het allemaal was begonnen naar de achtergrond: de sanering van een bedrijfstak die niet functioneert naar de behoeften van vandaag.

Decennia lang was de agrarische sector het troetelkind van de landspolitiek. Daarvoor zijn argumenten aangevoerd die het hele scala van links tot rechts overlapten. Kort na de Tweede Wereldoorlog stond zelfvoorziening voorop. De boeren waren nodig om de arbeiders van de wederopbouw te voeden. Voor de antirevolutionairen was de boerenstand bovendien de ruggengraat van de samenleving waaruit zonodig de ordetroepen konden worden gerekruteerd. Mansholt, herenboer en socialist, voorzag op zijn beurt de onvermijdelijkheid van grootscheepse afvloeiing uit de bedrijfstak. Hij wilde een koude sanering voorkomen, maar legde en passant de bestuurlijke basis voor een productiviteitsverhoging die zou uitmonden in niet meer te financieren Europese vleesbergen en melkplassen.

In een tijd waarin de 'smorgens in tropische wateren gevangen snapper 'savonds in het restaurant-om-de-hoek op het menu staat, heeft de zelfvoorziening aan prioriteit verloren. Zeker de varkensboeren, rebels als zij zijn, voldoen niet aan het antirevolutionaire ideaal. Sanering is allang niet meer gericht op het verkrijgen van economisch gezonde bedrijven alleen. Belasting van het milieu en dieronvriendelijke productiemethoden zijn de ongewenste bijverschijnselen van de geïndustrialiseerde veeteelt. De veilige afscherming van het landleven is doorbroken. Gekkekoeienziekte en varkenspest hebben de boer in de schijnwerpers geplaatst. Daar zal hij aan moeten wennen.

De traditie wreekt zich hier. Het nu van alle kanten onder vuur liggende ministerie van Landbouw was al die jaren de bestuurlijke voorhoede van het groene front. Het Verenigd Europa was, tot het Verdrag van Maastricht in werking trad, niet veel meer dan een corporatie voor de bescherming van boerenbelangen. Er was natuurlijk de ene markt die ook niet-agrarische producten omvatte en er traden nieuwe lidstaten toe, maar `Europa' was toch praktisch identiek aan de Gemeenschappelijke Landbouw Politiek – waarbinnen jaarlijks een hard gevecht over de vaststelling van de prijzen werd geleverd. De achterban liet zich daarbij niet onbetuigd.

Er wordt gewoontegetrouw geklaagd over het gebrek aan belangstelling voor en kennis van het Verenigde Europa. De gemiddeld lage opkomst bij de jongste verkiezingen voor het Europees Parlement heeft door de gelederen van politici een schokgolf gejaagd. Maar de boeren hebben altijd precies geweten wat er in Europa omging en wat de Europese regelgeving voor hen betekende. Al sinds mensenheugenis demonstreren boeren uit heel de EU in Brussel als hun iets niet zint. Overigens deden dat ook de mijnwerkers. Of de werkers in op Europees niveau fuserende bedrijven die vreesden voor hun baan. Kortom, beroepsgroepen die van Europa iets te verwachten hadden en die wisten dat in Brussel de geheven vuist meer telde dan de keuze in het stemhokje.

De klacht over de falende burger slaat terug op de politiek zelf. In werkelijkheid is `Europa' geen schimmig geheel waar enkele charlatans bezig zijn zichzelf te verrijken. Het is een fijnmazig en daardoor ingewikkeld stelsel van regelgeving gericht op het dienen van het algemeen belang – op de totstandkoming waarvan allerlei lobby's overigens vaak een te grote invloed uitoefenen. Bij de uitvoering ontbreekt bovendien het deskundig apparaat dat in onafhankelijkheid kan opereren en controleren, zoals een comité van wijzen constateerde na de werkwijze van de Commissie, het dagelijks bestuur van `Europa', te hebben onderzocht. Verhalen over corruptie en vriendjespolitiek hadden de ronde gedaan. Niet de zonde, maar het onvermogen bleek uiteindelijk de belangrijkste oorzaak van veel wat er was misgegaan.

Zoals een vertegenwoordiger van het boerenbelang het onlangs formuleerde: het ministerie van Landbouw was onze bondgenoot, het is nu onze vijand. Hetzelfde kan langzamerhand worden gezegd van het Verenigd Europa. De opmerking op zichzelf getuigt van kortzichtigheid, maar geeft wel aan wat er gebeurt. Geleidelijk aan strekt `Europa' zich uit over meer en meer terreinen. Dat betekent dat meer belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen, meer deskundigheid moet worden gemobiliseerd en meer groepen uit de samenleving met Europese regelgeving te maken krijgen. Ook de oude lobby's en hun bestuurlijke contacten zullen zich aan de veranderingen moeten aanpassen. Het scheppen van vijandbeelden werkt daarbij averechts.

De verpersoonlijking van de politiek vormt een obstakel bij het zoeken naar antwoorden en oplossingen. De problemen moeten worden geobjectiveerd alvorens ze aan het politieke debat worden prijsgegeven. Dan ook zal de politiek in staat zijn om het publiek, de kiezer, bij het beleid te betrekken. De gang van zaken met de varkenswet geeft aan hoe het niet moet, hoe burgers en buitenlui op die manier juist van de politiek vervreemd raken. Partijen zullen zich opnieuw moeten profileren op duidelijk omlijnde en geobjectiveerde belangen en oplossingen. Aan een discussie over het nut van doortastend of juist van begrijpend leiderschap is geen behoefte. Niet in Nederland. Niet in Europa.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.