Tjaikovski, de eeuwige buitenstaander

Tjaikovski is de meest geliefde en minst begrepen Russische componist. Die dubbele reputatie bestond al toen de componist nog leefde (1840-1893). Voor de Russen was hij de meest westerse onder de Russische componisten, voor het westerse publiek was hij een typisch Russisch componist. Beide kampen waren het over één ding eens: zijn muziek was uiterst expressief, zeer organisch en uitermate krachtig. Dat oordeel veranderde rond 1895, toen zijn homoseksualiteit bekend werd. Wat in Rusland reeds tijdens zijn leven een publiek geheim was en de erkenning van zijn werk allerminst in de weg had gestaan, werd in het westen na zijn dood een argument om de persoon uit te maken voor pathologische neuroot en zijn muziek voor larmoyant en decadent. Zijn werk heette `seksueel abnormaal', wat positief en negatief werd opgevat, al naar gelang de seksuele geaardheid van de beschouwer. Binnen het tolerante klimaat jegens homoseksualiteit rond 1980 werd veel ophef gemaakt van het nooit bewezen gerucht dat Tjaikovski wegens zijn relatie met een hooggeplaatste hofmedewerker tot zelfmoord veroordeeld zou zijn.

Leslie Kearney en de zijnen maken korte metten met ongeveer alles wat de componist na zijn dood is overkomen. Al is hun intentie polemisch, de auteurs zijn wetenschappelijk te werk gegaan. Het beginpunt van alle contribuanten is de conclusie die de componist trok uit zijn mislukte huwelijk. Een normale relatie was volgens hem onmogelijk gebleken, een leven als buitenstaander onontkoombaar geworden. Uit schaamte nam hij zich voor zijn identiteit voor de buitenwacht een mysterie te laten. Kearney c.s. volgen hem. Ze kritiseren liever de vermoedens van het nageslacht dan dat zij het mysterie dat de componist schiep, beantwoorden met nieuwe speculaties.

Om te bewijzen dat homoseksualiteit in de kringen waarin Tjaikovski verkeerde een geaccepteerde zaak was, geeft Poznansky een overzicht van de vele tot nu toe onbekende relaties van de componist. Zelfs al heeft men oog voor de intenties van de auteur, het hoofdstuk leest vooral als de prooienlijst van een homoseksuele Don Giovanni. Niet alleen in het westen, ook in het communistische Rusland was homoseksualiteit jarenlang taboe. Zijn muziek was voor de partij een van de belangrijkste exportartikelen, maar zijn persoonlijk leven non grata. Pas dankzij de glasnost kon Poznansky inzage krijgen in brieven die ondubbelzinnig aantonen hoe openhartig de componist over zijn natuur was in zijn contacten met zijn broers.

Het tweede punt onder vuur is het cliché waarover communisten en communistenhaters het hardgrondig eens waren: zijn muziek is zwak van structuur en overmatig qua expressie, soms op het ziekelijke af. Om deze visie kracht bij te zetten, wendde men zich bij voorkeur tot composities met een uitgesproken onklassieke opzet zoals het Eerste pianoconcert, dan wel met een uiterst tragisch karakter, bijvoorbeeld Romeo en Julia. Dit werden na 1920 zijn bekendste werken. Geen wonder dat Kearney en de zijnen zich voornamelijk richten tot de minder bekende werken. Aan de hand van Tjaikovski's Eerste suite voor orkest demonstreert Minibayeva hoe diep Tjaikovski's klassieke gevoel voor structuur veranderd was.

In Kearneys bijdrage over de opera De maagd van Orleans is Jeanne d'Arc niet de vrouw die Frankrijk heldhaftig trachtte te bevrijden van de Engelse overheersing, maar een vrouw die zich, juist omdat zij een huwelijk afwijst en in verzet komt tegen de heersende verhoudingen, haar positie als buitenstaander zeer bewust is. Het tragische aan de opera is niet deze positie van Jeanne d'Arc maar haar lot hier niets aan te kunnen veranderen. De artikelen over de bekende, clichébevestigende composities als de Vierde symfonie en Jevgeni Onegin vergen meer onderbouwing, maar dat is hen toevertrouwd.

Het interessantste aan dit boek noemt Kearney niet. Zich verschuilen achter de bedoelingen van de maker is die bedoelingen verheffen tot eigen interpretatie: het werk niet romantisch verklaren vanuit het leven, homoseksualiteit bestempelen als een privézaak, het romantische oeuvre typeren als klassiek en het ambacht en de zeer intense expressie vooral zien als een teken van beheersing.

Dit samenspel van een anti-biografische verklaring van het oeuvre, `abnormaal' seksueel gedrag als een normale wijze van leven die geen demonstratieve strijd om erkenning behoeft, romantiek zonder neoromantische truttigheid en superieur ambacht zonder stilistisch conservatisme maar gepaard aan vernieuwende expressie, maakt de componist ook in deze tijd tot een buitenstaander.

Leslie Kearney (ed.): Tchaikovsky and his world. Princeton University Press. 369 blz. ƒ60,–