Pakterminal

In 1991, het jaar van de wende in de Baltische staten, besloten het Nederlandse Pakhoed International en het Estse Trans Kullo een olieterminal te starten in de haven van de Estse hoofd- en havenstad Tallinn. Samen investeerden zij 96 miljoen gulden, waarvan de Nationale Investeringsbank er vijf voor haar rekening nam en de Nederlandse Crediet Maatschappij het risico afdekte.

Sinds de eerste dag geldt Pakterminal, zoals het bedrijf is gaan heten, als hét succesnummer van de Est-Nederlandse samenwerking. De haven bevindt zich op een ingepolderd stuk land, naar goed Hollands gebruik.

Pakhoed importeerde haar kennis over olie-overslag vanuit de Rotterdamse haven en bouwde een vergelijkbare terminal in Estland. Het water is veertien meter diep, zodat de grootste schepen gewoon kunnen aanmeren, en met een eigen ijsbreker om de haven het hele jaar open te houden.

Dagelijks wordt een enorme hoeveelheid Russische olie uit treinen in schepen geladen. Maximaal 600 wagons per dag, 125.000 per jaar. In 1999 goed voor zo'n negen miljoen megaton olie-overslag, zo luidt de verwachting. In september of oktober zal Pakhoed gaan deelnemen in een geprivatiseerde spoorweg, samen met de Estse spoorwegmaatschappij Oktober. Zo wordt de aanvoer van olie veilig gesteld.

Dankzij een tax-holiday betaalt Pakterminal de eerste tien jaar slechts de helft van de vennootschapsbelasting, 13 in plaats van 26 procent. Dat verklaart een deel van het succes van Pakterminal. Daarnaast werken de ruim honderd voornamelijk Estse werknemers ,,hard en lang'', zoals directeur A. Lukas het verwoordde. De ideale geografische positie tussen het Westen enerzijds en het olierijke Russische achterland anderzijds zorgen voor een continue afzet.

Pakterminal draait met een verwachte winst van 100 miljoen dollar dit jaar inmiddels op volle toeren. Volgend jaar wordt een nieuwe terminal bijgebouwd waar naast de huidige transito van ruwe olie en benzine ook andere producten kunnen worden overgeslagen.