Ook wrekers moeten contant betalen

Onafwendbaarheid is het wezen van de Griekse tragedie, maar waarom is dat eigenlijk zo? Was het werkelijk nodig dat Antigone zichzelf met haar halsstarrigheid de dood indreef en moest Creon echt tot het einde toe zo'n autocratische heerser zijn? Wie die vragen met `ja' beantwoordt, heeft het gelijk van de feiten aan zijn kant. Wat gebeurd is, is onherroepelijk gebeurd en wekt daardoor al snel de indruk dat het zo gebeuren moest. Achteraf gezien krijgt elke geschiedenis iets van een predestinatie.

In zijn hervertelling van de Orestes-mythe, Een man die op Orestes leek, heeft de Spaans-Galicische schrijver Alvaro Cunqueiro (1911-1981) het noodlot omgedraaid. Niet wij weten hoe het verhaal van Orestes zal gaan aflopen; hij weet het zelf en iedereen om hem heen weet het. Het staat al lang in de mythen, voorspellingen en de tragedie zelf geschreven dat hij zijn vader Agamemnon zal wreken door diens moordenaar Aegistus te doden, en zijn eigen moeder Clytemnestra erbij. Maar wij weten het niet, want we lezen de mythe in de versie van Cunqueiro en verkeren nog in onzekerheid over wat die met het oude verhaal gedaan heeft. Zolang de roman duurt, heeft de tragedie nog niet haar beslag gekregen, en is ze misschien wel helemaal geen tragedie.

Cunqueiro doet er alles aan om tragische schim die onwillekeurig om het Orestes-verhaal heen hangt te verjagen. Hij mengt spot en ironie door het verhaal en geeft het daarmee een lichtheid die niet alleen vloekt met elke tragische plechtstatigheid, maar het boek ook tot een buitenbeentje maakt in het nogal zwartgallige fonds van de uitgeverij Coppens & Frenks. Met laconieke humor beschrijft Cunqueiro de armoede waarin Aegistus en Clytemnestra gedompeld worden omdat al hun geld opgaat aan spionnen die moeten uitzien naar de voorzegde komst van Orestes. En even ironisch beschrijft hij Orestes zelf, die helemaal niet zo happig blijkt te zijn op zijn wraakneming en onderweg moet horen dat overspelige moeders helemaal niet zo uitzonderlijk zijn. De meeste zoons legden zich tenslotte bij de feiten neer, omdat hun stiefvader best een geschikte vent bleek of toevallig door een ongelukje om het leven kwam. En wie doodt er nu zijn moeder?

Zoals de Orestesmythe van zijn tragische inslag wordt losgemaakt, zo weekt Cunqueiro hem ook los uit zijn geografische en chronologische oorsprong. Het landschap waarin Orestes rondzwerft is dat van Galicië, het keltische noordwesten van Spanje met zijn sprookjesachtige sagen en het alledaagse surrealisme van Becketts Ierland. Het resultaat is een betoverend magisch-realisme, dat zich van zijn Latijns-Amerikaanse evenknie onderscheidt door zijn sterke reminiscenties aan de middeleeuwen, al neemt Cunqueiro zijn anachronistische fantasieën nergens helemaal serieus en drijft hij ze vaak tot in het hilarische door.

Losbollig

Het magisch-realisme van Cunqueiro grenst direct aan het surreële, waarin hij als dichter in de jaren dertig doorkneed was geraakt. Hij schreef poëzie in de eigen taal van Galicië (het Galego), en liet zich daarbij even graag inspireren door Éluard en Valéry als door de middeleeuwse troubadourspoëzie die kort daarvoor was herontdekt. Als journalist maakte hij in de gelijkgeschakelde pers van na de oorlog even snel furore als hij vervolgens weer in ongenade raakte. Hij moet, schrijft Ana-Sofía Pérez-Bustamante in haar informatieve nawoord, een nogal losbollig personage zijn geweest, met een gebrek aan verantwoordelijkheid dat gemakkelijk overliep in gesjoemel.

Nadat Cunqueiro zich in Madrid onmogelijk had gemaakt, redde Galicië hem in de jaren vijftig opnieuw. Het culturele zelfbewustzijn van die `natie' leefde op; opnieuw verschenen er boeken in het Galego. In 1955 publiceerde Cunqueiro de eerste van zijn zeven romans, in het Galicisch: een vrije variatie op de verhalen van Merlijn en de Arthursage. Zijn ster rees. Hij schreef toneelwerk, columns, reisverslagen en wat al niet meer, vanaf het begin van de jaren zestig voornamelijk in het Spaans-Castiliaans.

In 1969 bereikte Cunqueiro zijn hoogtepunt, toen hij voor Een man die op Orestes leek de Premio Nadal kreeg, in die tijd nog belangrijker dan nu. Er zouden nog twee romans volgen, opnieuw mythische verhalen, maar nu geheel van eigen makelij en niet langer geïnspireerd op de oude verhalen van Sinbad en Odysseus, Merlijn en Orestes. En hij bleef dichten, maar zonder te publiceren. Hij vreesde dat zijn lyrische inslag niet naar de sociaal-geëngageerde smaak van de tijd zou zijn. In 1980, een jaar voor zijn dood, verscheen het eerste deel van zijn verzameld werk. Sindsdien behoort hij in Spanje tot de grote groep auteurs wier naam bekender is dan hun werk.

Een man die op Orestes leek is het eerste boek van Cunqueiro dat in het Nederlands is vertaald en het is te hopen dat de uitgever het niet daarbij laat. Want achter het innemende mengsel van lyriek en ironie gaat een ernst schuil die zich misschien alleen maar op lichte toon kan uiten. Het is geestig en tegelijk meer dan dat, wanneer hij een waarzegger laat vertellen dat het zijn beroepsgroep in zijn stad verboden is tragedies te bezoeken, omdat die `uit passie voor de hoofdrolspeelster of voor een mooie vrouw' wel eens met een magische ingreep het verloop van het stuk zouden kunnen wijzigen. Want wat is dat noodlot eigenlijk, dat de oude verhalen naar hun einde stuwt, zonder dat daaraan te ontkomen valt?

Het is de kunstgreep en tegelijk het verraad van de literatuur, dat ze het einde altijd al weet. Een roman is toegeschreven op zijn slotzin, een toneelstuk op zijn laatste claus, waarin het verhaal gesloten wordt en de eenheid en de samenhang ervan bevestigd. Dan kan het interpreteren beginnen, en zal de handeling nooit meer een andere loop krijgen dan die welke ze gehad heeft. Het moest zo zijn.

Ineengeschrompeld

Misschien vertellen we ook onze eigen geschiedenis wel op die manier: als een verhaal met begin, midden en einde. Dan wordt het leven een schouwtoneel waarin we naar onszelf zitten te kijken, zoals Aegistus en Clytemnestra in de versie van Cunqueiro doen. Ze zijn verstijfd van schrik om de afloop waartoe hun hele leven is ineengeschrompeld; tot iets anders zijn ze niet in staat. Net zo min als Orestes, die zijn roeping wel kan uitstellen en jarenlang talmt, maar weet dat zijn Daad op hem wacht.

Maar waarom eigenlijk? Wat dwingt hem ertoe zijn leven te leven alsof het al geschreven stond, even onverbiddelijk als hoogdravend? Het zijn bij Cunqueiro de volkse figuren die hem aan het twijfelen brengen over zijn plicht, die nobel lijkt maar in werkelijkheid een obsessie is. Ook dat is een oude toneeltruc, maar hij is nog altijd effectief. `Ik ga naar mijn vaderland omdat ik een verschrikkelijk wraak moet voltrekken', zegt Orestes tegen de waard in een herberg. `Dat ontheft je niet van contante betaling', antwoordt die. Het realiteitsprincipe mengt praktisch nut met soepelheid en verkiest dat boven het steile idealisme van hoge beginselen en voorkomt daarmee een hoop ellende.

Een man die op Orestes leek is geschreven als een anti-tragedie, die zegt dat er in het leven altijd een keuze is. Er hoeft maar iets te veranderen en de tragedie wordt een blijspel of een comedy of errors. `Er zijn vele levens', zegt een vriendelijke tiran tegen Orestes op één van zijn vele halteplaatsen. En, vertelt Cunqueiro, later moest die vaak nog terugdenken aan die avond, waarop `meisjes in het licht van de fakkels diabolo speelden (...) en als ze hun wijde rokken optilden kon je hun blanke benen zien'. Hij had er wel willen blijven, maar hij moest van Electra nu eenmaal zijn vader wreken.

Lexicon

Tot in de vorm van zijn boek parodieert Cunqueiro het tragische genre. De vijf delen ervan zijn vijf spottende epeisodia, die in plaats van een fatale samenhang een losse anarchie vertonen die spot met alle wetten van eenheid van tijd, plaats en handeling. Het vierde deel is bij vlagen zelfs geschreven als stukjes toneel, maar het zijn kluchten die alle kanten uit waaieren en waarin het verhaal langzamerhand begint uiteen te vallen. Het vijfde deel is daarna niet meer dan een namencatalogus, een soort lexicon waarin van alle hoofdrolspelers en figuranten wordt verteld hoe het met hen afliep. In die opsomming zijn er alleen nog maar feiten en toeval en is elke noodlots-samenhang verjaagd door een soort empiristische scepsis, waarin de vrijheid huist. `Een man die twijfelt is een vrij man', heeft Aegistus al honderd bladzijden eerder te horen gekregen. Orestes zal hem ten slotte niet doden. Na vijftig jaar aangekomen in zijn vaderstad, vindt hij tussen de oude spullen van de tragedieschrijver die zijn noodlot verdicht had een glazen ei, gevuld met water en plastic sneeuw. En daarin ziet hij de moordscène afgebeeld, `de scène - schrijft Cunqueiro - die het grote moment van zijn leven had moeten zijn, waar iedereen op gewacht had, zelfs de onsterfelijke goden'. Maar hij vertrekt. Met tranen in de ogen, want alles waarvoor hij leefde en wat hij was is opgelost. `Het sneeuwde', schrijft Cunqueiro. Het sneeuwde nu op hem, in zijn eigen glazen ei.

Dan breekt in deze anti-tragedie toch nog even het tragische door. Want voor Orestes is er, na zoveel jaar, geen ontkomen meer aan. Hij heeft te lang op het verkeerde paard gewed, de vrijheid verloochend voor een metafysische roeping. Niet genoeg aan de meisjes gedacht en te veel aan zijn moeder (er zit ook veel van Oedipus in hem). Misschien, zo lijkt Cunqueiro in dit bedrieglijk lichtvoetige boek te suggereren, wortelt de tragedie alleen maar in het geloof aan zichzelf, maar is ze dan ook onverbiddelijk. Je kunt er maar het beste verre van blijven.

Alvaro Cunqueiro: Een man die op Orestes leek. Uit het Spaans vertaald door Elly Bovée. Coppens & Frenks, 267 blz. ƒ56,90 (geb.)