Naakt op de Muur

Chinese kunstenaars zetten de toon op de Biennale van Venetië. Samensteller Harald Szeemann heeft de kwaliteitseisen voor hen soepel gehanteerd.

De vloer was uitgebroken, het dak gesloopt. Eigenlijk waren alleen de muren van het Franse paviljoen op de Biennale van Venetië blijven staan. En daaraan was werk opgehangen van Jean-Pierre Bertrand, zo'n typisch Franse kunstenaar die worstelt met kleur, materiaalcontrasten en de conceptuele basis van zijn werk. Dit keer had hij metalen schappen opgehangen en daar citroenen op gelegd. Daar tegenover hingen kleine schilderijtjes, net zo citroengeel als de vruchten. Dit werk was zo bescheiden dat alle aandacht in het Franse paviljoen werd getrokken door het werk van de Chinese, in Parijs woonachtige kunstenaar Huang Yong Ping. Die had tien enorme boomstammen, grofweg van hun bast ontdaan, in het paviljoen neergezet. Ze leken op te rijzen uit de aarde, door de paviljoenvloer gestoten en doorgegroeid, door het dak heen. Op hun toppen pronkten grote metalen beesten uit de Chinese mythologie – een slang, een vogel, een buffel, die over de toeschouwers in de tentoonstellingstuin heentuurden als monsters uit een Steven Spielberg-film. De symboliek van de combinatie tussen Bertrand en Huang lag er duimendik bovenop: de statige westerse cultuur wordt doorkliefd door een kracht uit oosterse hoek; die kracht bloeit op en bloeit onstuitbaar. En alleen als de westerse en de oosterse kunst samenwerken kunnen ze samen iets moois bereiken.

Hoewel de samenwerking tussen Bertrand en Huang als interculturele geste begrijpelijk was, was ze niet nodig, Huang had dat in zijn eentje ook wel afgekund. Samen met zijn collega's Cai Guo Quiang en Chen Zhen is Huang de bekendste exponent van de oudere generatie Chinees-Westerse kunstenaars. Alle drie vertrokken ze eind jaren tachtig uit China en werden snel populair in de Westerse kunstwereld, vooral omdat ze in hun werk een intrigerende versmelting weten te bereiken tussen de westerse kunstgeschiedenis en de traditionele Chinese cultuur. Cai maakte in het verleden bijvoorbeeld al eens indruk met een poëtische installatie van typisch Chineese kruiden die hij op kleur en vorm had gerangschikt.

Zowel Huang als Cai en Chen zijn nu prominent aanwezig op de 48ste Biennale, de tweejaarlijkse kunstmanifestatie in Venetië, die het afgelopen weekend werd geopend. Alle drie passen ze dan ook goed in het beleid van de Zwitser Harald Szeemann (65), de nieuwe Biennale-directeur, die de Aperto, de traditionele stand-van-zakententoonstelling, omdoopte tot d'Apertutto – `Aperto overal'. Dat sloeg niet alleen op het feit dat de Aperto over meer Biennale-locaties werd verspreid, maar ook dat de Aperto volgens Szeemann een wereldomvattende tentoonstelling moest worden. Dus werd d'Apertutto geopend met een performance van Georges Adéagbo uit Benin en was er, naast vele westerse kunstenaars, werk te zien van kunstenaars uit Egypte, Iran, Turkije, Zuid-Afrika, Brazilië, Korea. En uit China – vooral veel kunstenaars uit China. In de Corderie, de eeuwenoude touwslagerij waar een groot deel van d'Apertutto was te zien, duizelde het de westerse bezoeker af en toe van de onbekende Liu's, Zhangs en Wangs die daar plotseling opdoken. In een interview rechtvaardigde Szeemann die keuze met de opmerking dat de kunst in China tegenwoordig op hetzelfde niveau staat als die van het westen.

Wat echter vooral opvalt aan het werk van jonge Chinese kunstenaars als Zhang Huan, Yang Shaobin en Qui Shihua, maar ook aan dat van de meeste andere niet-westerlingen die op de Biennale worden gepresenteerd, is dat het er zo ontzettend westers uitziet. Of, om preciezer te zijn: wat opvalt is dat al deze kunstenaars, of ze nu uit Iran, Benin of China komen, zich uitdrukken in wat zich laat omschrijven als het `Westerse kunstidioom' – veel video's en foto's, fragmenten uit het dagelijks leven, verwijzingen naar de populaire cultuur en de persoonlijkheid van de kunstenaar. Ma Liuming zien we bijvoorbeeld in zijn video naakt over de Chinese muur wandelen (deden Marina Abramovic en Ulay al eerder, hoewel gekleed), en Zhang Huang doet een performance waarbij hij zichzelf hangend in kettingen aan een plafond laat takelen, een infuus in zijn lichaam bevestigt en het bloed dat er op die manier uit zijn lichaam druppelt op een gloeiende ijzeren plaat laat lopen (zie de `rituelen' van Herman Nitsch of Chris Burden). In tegenstelling tot Cai, Chen en Huang slaan deze Chinese kunstenaars dan ook geen brug met het westen; ze nemen de westerse vormentaal volledig over. Van hun eigen cultuur is weinig meer te herkennen – hoogstens de kunstenaar zelf of een paar Chinese karakters.

Monica Lewinsky

Veelzeggend was in dat opzicht een zaaltje in het Italiaanse paviljoen waar werk van de Chinezen Wang Du, Wang Xingwei en Zhou Tiehai is samengebracht. Zhou toonde schilderijen met Joe Camel, het symbool van Camel sigaretten, en Wang Du kwam met een reeks karikaturale bustes waarin onder anderen Yasser Arafat, Monica Lewinksy en Jacques Chirac te herkennen waren.

Nog curieuzer was echter een schilderij van Wang Xingwei, waarop een klein Chinees jongetje in een uniformpakje is te zien die op zijn donder krijgt van een volwassen man. Naast het jongetje staat de reden voor 's mans boosheid: het jongetje heeft een grote glazen plaat kapot gemaakt – en die plaat is Het grote glas van Marcel Duchamp. Op de achtergrond zien we nog net Duchamps L.H.O.O.Q, de Mona Lisa met snorretje, die de toeschouwer vriendelijk toelacht. Poor old Hamilton, zoals het schilderij heet, heeft op het eerste gezicht iets van opstandige grap: Chinees vernielt westers kunsticoon. Maar het is ook een typisch westerse grap, vol verwijzingen naar de Westerse cultuur.

Het overnemen van de Westerse `kunsttaal' gebeurt echter niet alleen door Chinezen. In een van de Venetiaanse palazzi werd bijvoorbeeld een reeks foto's geëxposeerd van de Taiwanese kunstenaar Hung Tung-Lu, die verbazingwekkend veel op de glossy foto's van Micha Klein leken – waar Klein fotomodellen gebruikt, neemt Hung poppen van westerse animatie-idolen als Lara Croft als uitgangspunt. Ook in het Braziliaanse paviljoen in de Giardini was een in dit opzicht veelzeggende collage te zien. Nelson Leirner had hier variaties op de Mona Lisa verzameld: stropdassen met Mona Lisa, spotprenten met Mona Lisa, variaties op Marchel Duchamps variant op Mona Lisa (met verschillende soorten baardgroei), en als kroonjuweel een voorkant van het tijdschrift The New Yorker waarop Monica Lewinsky als Mona Lisa staat afgebeeld, ingebed in een lijst van sigaren. Een hele melting pot van culturen, nog eens versterkt door de installatie ervoor: een leger van plastic poppen, van Boeddha's tot barbies en van Christussen tot de Zeven dwergen, uit alle uithoeken van de wereld bijeen gebracht.

Aan de hand van zulke werken zou je kunnen vaststellen dat de Westerse, moderne kunsttaal mondiaal heeft gezegevierd – de westerse vormentaal is de lingua franca van de internationale kunst geworden. Wat daarbij vergeten wordt is hoe sterk die vormentaal in de westerse cultuur verankerd is. Ook de westerse kunst zoals die nu op de Biennale domineert is het resulaat van een organische ontwikkeling; die werd ooit ingezet door Marcel Duchamp die een pispot op een sokkel zette en zo de ready made introduceerde, door de pop-art van Andy Warhol met z'n reclame-uitingen, door de persoonlijke performances van Bruce Nauman en Marina Abramovic tot de videokunst van, opnieuw, Bruce Nauman. Veel van de niet-westerse kunstenaars die nu naar die traditie verwijzen lijken echter vooral voor de vorm gevallen. Daar is op zich weinig mis mee, uit misverstanden kan de interessantste kunst voortkomen, maar het maakt deze kunstenaars op zichzelf nog niet interessant – Westerlingen die zulk `ontleend' werk maken worden meestal genegeerd.

Tolerantie

Dat de `niet-westerlingen' toch op steeds grotere schaal op deze Biennale en andere tentoonstellingen worden getoond, zegt dan ook meer over de positie van de Westerse kunstwereld, in het bijzonder die van conservatoren als Harald Szeemann en zijn jonge volgelingen als Hans-Ulrich Obrist. De normen die zij aan westerse kunstenaars opleggen, zoals oorspronkelijkheid, originaliteit of virtuositeit, worden veel soepeler gehanteerd als het Chinese of Afrikaanse kunstenaars betreft: Ma Liuming en Zhang Huang zijn daar voorbeelden van. Deze `ruimdenkendheid' laat zich op twee manieren uitleggen. Aan de ene kant kan het tolerantie zijn ten opzichte van kunstenaars uit andere culturen die willen aansluiten bij het grote westerse kunstgemeenschap. Het kan ten slotte een verrijking betekenen voor onze cultuur, als kunstenaars de twee werelden weten te combineren tot iets wat `eigen' is, zoals veel kunstenaars al hebben bewezen, of het nu gaat om de Haïtiaans-Puertoricaanse Amerikaan Jean-Michel Basquiat (van wie in Venetië ook een klein, maar prachtig overzicht is te zien), de door Zimbabwe gefascineerde Engelsman Chris Ofili, de Engelse Indiër Anish Kapoor of de Franse Chinees Huang Yong Ping. Maar dat lijkt niet de belangrijkste reden voor die bereidwilligheid ten opzichte van `aangepaste' niet-westerse kunstenaars – het is vooral luiheid. Door kunstenaars uit alle windstreken op zijn Biennales en Documenta's te laten zien kan de Westerse kunstconsument zichzelf het gevoel verschaffen dat hij tot een dominante cultuur hoort, maar niet te beroerd is kennis te nemen van kunst van daarbuiten. In de praktijk van de Biennale blijkt die tolerantie dan ook niet veel voor te stellen: zowel conservatoren als bezoekers tonen voornamelijk belangstelling voor niet-westerse kunstenaars die maken wat hen bekend voorkomt. Landen die zich niet aan de westerse kunsttaal houden of een taal hanteren die niet meer bij de tijdgeest past krijgen nauwelijks aandacht. Dat was te zien bij landen als Egypte, Roemenië of Griekenland, dat bijvoorbeeld een enorme leistenen brug exposeerde, maar ook aan Nederland, dat het lef had de abstracte schilderijen van Daan van Golden op te hangen. Hoe mooi dat werk ook is, de internationale kunstgemeenschap had er weinig oog voor, het botst teveel met de tijdgeest.

Gelukkig voor de conservatoren en een groot deel van de bezoekers waren dit dan ook maar kleine dissonanten – de kunst kwam van over de hele wereld, en iedereen sprak dezelfde taal, de taal die de Westerse kunstconsument kent en die mondiaal geaccepteerd wordt. De vergelijking met voedsel ligt voor de hand: zoals je in een grote stad restaurants hebt waarin je voedsel van iedere nationaliteit kunt krijgen heeft de Westerse kunstwereld op dit moment uit iedere windstreek wel een paar kunstenaars omarmd die rechtvaardigen dat de westerse kunst de hele wereld beslaat. Niet voor niets kreeg de Iraanse Shirin Neshat dit jaar een van de drie Biennale-prijzen voor beste kunstenaar: haar werk ziet er westers uit (haar installatie op de Biennale bestond uit twee tegenoverliggende projectieschermen, hipper kan zo ongeveer niet), maar bevat een stevige dosis Arabische cultuur. En een westerse Arabier, die hadden we nog niet in het Biennale-circuit.

Verwarring

Het feit dat zulke kunstenaars op dit moment met veel enthousiasme de westerse kunstwereld worden binnengehaald zegt dan ook veel over verwarring die in de westerse kunstwereld heerst. De moderne, hedendaagse kunst drukt zich uit in een taal waarvan steeds minder mensen de betekenis en de oorsprong nog kennen. Bijna niemand heeft nog een volledig overzicht over de kunstgeschiedenis, met als gevolg dat iedere kunstenaar zich kan beroepen op een ander onderdeel van die complexe kunsttraditie. Het gevolg is dat in de westerse kunst iedereen kan maken wat-ie wil; `alles is al eens gedaan, avantgardes bestaan niet meer' is het motto geworden. Daardoor wordt het steeds moeilijker om aan te geven wat nog interessante kunst is – niet voor niets begint het werk van steeds meer Westerse kunstenaars op elkaar te lijken, en dan maakt het ook niet uit dat er kunstenaars uit andere culturen bijkomen die precies hetzelfde doen.

Ondertussen wordt het daardoor ook steeds moeilijker om kunstenaars te vinden die aan iets raken wat de toeschouwer verrast, streelt, ontroert of aan het denken zet – het was vooral het internationale feest der herkenning dat deze Biennale zo aangenaam maakte. Gelukkig waren er nog een paar kunstenaar die daar bovenuit stegen, die wisten te verrassen of iets toe te voegen. De opvallendste van hen was de Amerikaan Doug Aitken, die met zijn video-installatie Electric Earth, waarin een man die door een verlaten stad loopt en langzaam `opgeladen' raakt met elektriciteit, de toeschouwer in een hallucinerende kadans wist te brengen. Ook de Zweedse Miriam Bäckström, met perfecte, ontroerende en onverwachte foto's van het huis van een overleden man mocht er wezen, net als de al eerder genoemde Cai Guo-Qiang. Die waagde een ambitieuze reconstructie van de zogenaamde Rent Collection Courtyard, een groep van bijna honderd beelden die oorspronkelijk in de Chineese provincie Sichuan staat – beelden van arbeiders en uitbuiters, zwoegende vrouwen en geteisterde gevangen. Met dit werk deed Cai de westerse toeschouwer niets cadeau, sterker nog, de meeste westerlingen zullen onvermijdelijk hebben moeten denken aan veel socialistisch-realistische kunst uit de hoogtijdagen van het communisme. Maar toch bleef je kijken, omdat Cai en acht collega's tijdens de tentoonstelling aan de groep bleven werken, maar ook omdat hij de toeschouwer op intrigerende wijze met het onbegrijpelijke confronteerde. En dat is precies wat goede kunst moet doen – waar-ie ook vandaan komt.

De Biennale van Venetië in de Giardini di Castello en de Arsenale van Venetie. T/m 7 november. Geopend: tot 30/9 dagelijks van 10-19.00u, van 1/10 tot 7/11 van 10-17.00u. Dinsdags gesloten. Catalogus in het Italiaans of Engels, twee delen, 100.000 lire. Info 0039-0412411058 of www.labiennale.com

Chinese kunstenaars hebben moeiteloos de Westerse `kunsttaal' overgenomen