Mierenperspectief in een wespennest

Hoeveel details kan een mens tegelijk registreren? Je komt een onbekende kamer binnen en terwijl je met de gastheer praat, onderscheid je op de achtergrond allerlei kenmerken: de geur, de meubels, gordijnen, de vloerbedekking. Maar tenzij je met je neus langs de wanden schuift, lijkt het niet mogelijk om tot een uitputtende beschrijving te komen als deze: `De hal rook naar de boenwas voor de lambrisering, en het schoonmaakmiddel voor het glas in de tussendeur, en de speciale plantenzeep waarmee de bladeren van de sanseveria werden gewassen.'

Dat Felix Thijssen in zijn boek Cleopatra, genomineerd voor de Gouden Strop, nauwkeurig wil zijn, is lovenswaardig. De vermelding van allerlei details maakt zijn verhaal er zeker realistischer op. Maar het perspectief van Thijssen is dat van een mier, niet dat van een mens.

In Cleopatra wordt onder een tennisbaan aan de Vecht een geraamte gevonden, zonder hoofd en handen. Max Winter, een privé-detective van het type Humphrey Bogart in The Maltese Falcon, vindt aanwijzingen dat het hier zou gaan om de vrouw des huizes, Cleopatra, die echter jaren eerder al bij een vliegramp om het leven gekomen zou zijn.

Tijdens zijn onderzoek komt Winter meer vermoorde vrouwen tegen die allemaal in verband staan met haar echtgenoot Jozef Cleveringa. Deze calvinistische ex-minister, woonachtig in villa Beukenstein, lijkt schuldig aan mafiapraktijken in Italië, het bezwangeren van minnaressen en bigamie. Max Winter wordt ondertussen in elkaar geslagen, bedreigd en ook nog eens van het onderzoek gehaald maar zoekt - zoals het een detective betaamt - op eigen houtje stug door. Hij reist naar Zwitserland om een röntgenfoto te achterhalen van een gebroken been dat wel eens hetzelfde zou kunnen zijn als dat van het geraamte onder de tennisbaan, hij speurt onverdroten verder in Malta, België en Zuid-Frankrijk.

Gaandeweg heeft Thijssen zoveel ijzers in het vuur dat je je afvraagt hoe hij hier ooit nog uitkomt. Dat vroeg de schrijver zich blijkbaar ook af, want hij schuift de ontknoping steeds voor zich uit. Het lezen van een thriller geeft de meeste voldoening als de plot op een mooie vondst blijkt te berusten: een misverstand, een onverwachte dader of een onverwacht motief. In Cleopatra stuit je op een lang tevoren aangekondigde dader.

Toch is de eerste helft van het boek veelbelovend. Er zijn verrassende wendingen, dialogen in realistische spreektaal en soms een beeldende beschrijving, zoals de opmerking over Winters Japanse buurvrouw: `We kunnen goed met elkaar overweg. Soms drink ik bittere groene Japanse thee bij haar, met muggenteugjes uit dun porselein.' Thijssen ontvouwt hier het verhaal en neemt de tijd voor uitstapjes naar het dagelijks leven van de detective.

De grootste makke van dit boek is dan ook niet de gecompliceerde plot of het mierenperspectief, het is de persoon van Max Winter. Want wat beweegt de man? Waarom begeeft hij zich in dit wespennest? Thijssen suggereert dat het is uit koppigheid. Maar Winters koppigheid wordt nergens voelbaar, daarvoor is hij veel te lakoniek. De lezer voelt hier hetzelfde gemis als Max Winter die verzucht dat hij Cleopatra nooit echt zal leren kennen. Voor Winter mag Cleopatra dan de hoofdpersoon zijn, voor ons is hij het.

Felix Thijssen: Cleopatra. Luitingh-Sijthoff, 256 blz. ƒ29,90