Latijns Amerika wijst `bescherming' VS af

De Verenigde Staten willen een grotere rol in Latijns Amerika `om de democratie te beschermen'. Latijns Amerika slaat de schrik om het hart, want de machtige noorderbuur heeft een slechte reputatie als het gaat om bemoeienissen met de zuiderbuur.

Een oprechte poging om de prille democratieën in Latijns Amerika te beschermen of gewoon een nieuwe naam voor een oude interventie-doctrine? Die vraag houdt latijns-Amerikaanse beleidsmakers bezig nu Washington een plan heeft gelanceerd voor een `diplomatieke interventiemacht'.

Het plan werd vorige week in Guatemala op tafel gelegd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). De Amerikaanse vertegenwoordigers omschreven hun beoogde diplomatieke interventiemacht als een groepje ,,bevriende staten'' dat met diplomatieke middelen moet ingrijpen wanneer conflicten de democratie van een land bedreigen.

Aanleiding voor het Amerikaanse initiatief is de recente crisis in Paraguay, die gepaard ging met bloedige straatrellen en uiteindelijk leidde tot het aftreden van de omstreden president Raúl Cubas. De crisis toont volgens Washington eens te meer aan dat de jonge democratieën in Latijns Amerika zeer kwetsbaar zijn.

Bij de Latijns-Amerikaanse aanwezigen bekroop een angstig déja vu-gevoel. ,,De OAS zal er voor moeten waken dat interventionistische tendensen geen ruimte krijgen in onze invloedssfeer'', waarschuwde Álvaro Tirado Mejía, commentator voor de Colombiaanse krant EL Tiempo. Volgens Tirado past het Amerikaanse voorstel bij een internationale tendens om sneller tot ingrijpen over te gaan, zoals de NAVO in Kosovo heeft gedaan.

De Venezolaanse minister van Buitenlandse Zaken, José Vicente Rangel, wees het concept van preventieve diplomatie resoluut van de hand ,,omdat we menen dat het een maatregel betreft die kan uitmonden in bemoeienis met interne aangelegenheden van elk land''. Ook Bolivia, Chili, Colombia, Ecuador , Mexico en Peru wezen het voorstel meteen af. Maar het is daarmee niet van tafel: de Amerikanen hebben aangekondigd het opnieuw in te dienen tijdens de volgende OAS-bijeenkomst in 2000.

Vooral de Colombianen maken ernstige bezwaren. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, heeft er immers geen geheim van gemaakt dat zij Colombia beschouwt als zorgenkindje onder de Latijns-Amerikaanse democratieën. Het land, dat wemelt van de drugscriminelen, is al decennialang verwikkeld in een burgeroorlog tussen regeringstroepen, linkse guerrilla's en extreem-rechtse paramilitairen. De laatste weken zijn vanuit de Colombiaanse streek Catatumbo honderden mensen naar Venezuela gevlucht. Gisteren werd bekend dat marxistische rebellen uit Colombia een aantal dorpen in Panama als uitvalsbasis gebruiken. De vrees bestaat dat de oorlog in Colombia overslaat naar buurlanden Venezuela en Panama, ,,waar de olie en het [Panama-]kanaal `vitale belangen' zijn voor de grote natie uit het noorden'', aldus het Colombiaanse dagblad El Espectador.

Datzelfde dagblad onthulde onlangs het bestaan van een Amerikaans plan om grenspatrouilles in de buurlanden Brazilië, Ecuador, Panama, Peru en Venezuela te ondersteunen met vliegtuigen en informatie van de geheime dienst CIA, dit alles in een poging de Colombiaanse guerrilla in te dammen. En dat allemaal in naam van de drugsbestrijding, want, zo houdt het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken vol, de VS voeren geen oorlog tegen de guerrilla, maar tegen drugscriminelen. Een ietwat geforceerde scheidslijn, volgens waarnemers: de Colombiaanse guerrillastrijders houden zich namelijk intensief bezig met de productie van en handel in drugs.

Wat de meeste OAS-gedelegeerden vooral ergert aan het Amerikaanse plan, is de vaagheid ervan. Want wie bepaalt wanneer een intern conflict ernstig genoeg is om voor interventie in aanmerking te komen? En op welke manier en in welke mate moeten de ,,bevriende landen'' gaan ingrijpen in zo'n situatie? Kan dit uiteindelijk uitmonden in een militaire interventie, zoals in het verleden vaak is gebeurd?

Verder wijzen de Zuid-Amerikanen erop dat de OAS zelf bij verschillende gelegenheden al heeft bemiddeld in interne conflicten in lidstaten. Een nieuwe `vriendenclub' is dus overbodig. De Caribische staten zijn grotendeels aangesloten bij Caricom, een samenwerkingsverband dat geregeld bemiddeld in Caraïbische conflicten. Bij de recente crisis in Paraguay speelde het handelsverbond Mercosur een belangrijke bemiddelende rol.

Het Latijnse-Amerikaanse wantrouwen jegens de machtige noorderbuur is van alle tijden. Niet in de laatste plaats doordat de VS het in het verleden geregeld noodzakelijk achtten om zich te mengen in aangelegenheden van soevereine Latijns-Amerikaanse staten. Zonodig met geweld, zoals in 1989 toen 20.000 Amerikaanse soldaten Panama binnenvielen om de van drugshandel beschuldigde generaal Manuel Noriega te arresteren. Bij die actie vielen honderden doden onder de Panamese burgerbevolking.

Tussen 1902 en 1933 was Cuba een `protectoraat' van de VS. Nicaragua werd voor de Tweede Wereldoorlog 26 jaar lang bezet door Amerikaanse mariniers. In 1965 landen de marines op de stranden van de in een burgeroorlog verwikkelde Dominicaanse Republiek. Verder zijn er talloze gevallen bekend waarbij de VS weliswaar niet direct ingrepen, maar wel een doorslaggevende rol speelden, zoals de staatsgreep in Chili (1973) en de slopende guerrilla-oorlog van de VS-gezinde contra's tegen de sandinisten in Nicaragua in de jaren tachtig.

De VS hebben de acties in hun `achtertuin' lange tijd gerechtvaardigd met de Monroe-doctrine uit 1823. Met deze doctrine gaven de Amerikanen zichzelf het recht om te interveniëren in Latijns Amerika waneer Amerikaanse economische belangen werden bedreigd. Later, tijdens de Koude Oorlog, kreeg de doctrine een meer politieke dimensie. Sinds de opheffing van de Sovjet-Unie lijkt de Monroe-doctrine te zijn opgeborgen. In Latijns Amerika wordt gevreesd dat ze nu opnieuw wordt opgepoetst.