Improviseren en provoceren

Vorige week zaterdag hebben de Russen in Priština een kunstje geflikt, zoals alleen Russen dat kunnen. De NAVO reageerde eerst verbijsterd en vervolgens berustend. Ze dacht andere afspraken met Moskou te hebben gemaakt over zones en sectoren. Dat was naïef.

Eén telefoontje vanuit Brussel naar The Nixon Centre, een denktank in Washington, had een paar maanden geleden geen kwaad gekund. Wat nadere toelichting van directeur Dimitri Simes op zijn recent verschenen en zeer toegankelijke After the collapse had de NAVO misschien kunnen behoeden voor het kunstje dat de Russen haar later zouden flikken. Want hoewel Simes het conflict om Kosovo nog in embryonale termen beschrijft, is zijn lijn duidelijk. We zouden er goed aan doen Rusland als een serieuze macht te behandelen en ons eens wat minder te fixeren op de figuur Jeltsin. `Rusland is niet langer een adolescent die permanent moet worden aangemoedigd en geïnstrueerd. Het is evenmin de reïncarnatie van het evil empire', aldus Simes, een Rus die in 1973 naar de VS emigreerde en voor Richard Nixon ging werken. Het einde van de Koude Oorlog is volgens hem namelijk niet het einde van de geschiedenis maar precies het omgekeerde: `het einde van een ongebruikelijke periode in de geschiedenis en het begin van de terugkeer naar historische normaliteit'.

Nee, dan de Russen. Die begrepen het beter. Brigade-generaal Viktor Zavarzin maakte dat zaterdag duidelijk door met tweehonderd man het vliegveld van Priština te bezetten. Dezelfde Zavarzin die de Russische troepen in Tadzjikistan had geleid, tot maart dit jaar als militair attaché bij de NAVO diende, uit protest tegen de bombardementen was teruggeroepen, daarna werd doorgestuurd naar Bosnië om vervolgens op 12 juni (de dag waarop Jeltsin acht jaar geleden voor het eerst tot president werd gekozen) tot driesterren-generaal te promoveren.

De NAVO reageerde verbijsterd. De Franse officier die, met roerend Engelse tongval en stafkaart in de hand, polshoogte kwam nemen, liet zich voor het oog van CNN gelaten afschepen. Vervolgens moesten de Britten met water en brood sussen. Aan de kern van de zaak – dat Allied Force buiten de Russische waard had gerekend – wilde men zijn vingers ter plaatse liever niet branden. Dat moest in Helsinki gebeuren.

Deze Westerse naïeviteit is een oude maar nog steeds repeterende breuk. Sinds het succes in de Koude Oorlog en de verkruimeling van de Sovjet-Unie in 1991 heeft ze zelfs nieuwe vormen aangenomen. Het Westen kon zich meer veroorloven, had minder behoefte aan reflectie en werd zodoende brutaler.

Een misverstand met historische wortels. Al drie eeuwen wordt het buitenlands beleid van Rusland namelijk gekenmerkt door een hoge mate van continuïteit. Sinds Peter de Grote (1672-1725) is Rusland de grootste maar tegelijkertijd ook de minst Europese macht der Europese mogendheden. Het `hartland' van de euraziatische `Northern hemisphere', zoals de Engelse geograaf Denis Shaw de positie van Rusland in Russia in the modern world (alleen voor de freaks) typeert, heeft de kloof met het Westen nooit echt overbrugd. De oorzaken – geen renaissance, geen reformatie en geen verlichting – zijn inmiddels een cliché. Maar toch. Het alfabet, het orthodoxe christendom, de nooit fundamenteel opgeheven horigheid van de boeren, de aard van de industralisatie en het autocratische karakter van de politieke cultuur zijn tussen `hen' en `ons' in blijven staan. Of er nou tsaren of communisten aan de macht waren.

Ondanks de soms overspannen adoratie, die op gezette tijden tot uiting komt in een ware `buitenlanders-cultus' die alles uit het Westen als beter omarmt, is angst de Russische blik op de buitenwereld daarom blijven kleuren. Nu eens spoorde die huiver keurig met Europa, zoals na de Napoleontische oorlogen toen tsaar Aleksandr I prominent mocht meeblazen in het Weense orkest omdat zijn vrees voor de emancipatie van de Polen gelijk opging met die van de Habsburgers voor burgerlijke natievorming binnen hun imperium. Dan weer stond die angst haaks op Europa. Bijvoorbeeld na de Tweede Wereldoorlog toen secretaris-generaal Stalin met een eigen, op sovjet-leest geschoeid, `cordon sanitaire' zijn Oostduitse onderdanen dacht te kunnen afschermen voor de verleidingen die de Bondsrepubliek etaleerde. Kanselier Schmidt begreep dat, toen hij zich in de laatste serieuze fase van de Koude Oorlog retorisch afvroeg of het buitenlands beleid der Sovjet-Unie, ontdaan van haar propaganda, nu typisch sovjet of toch nog traditioneel Russisch was.

Geboorteweeën

Maar met de komst van Gorbatsjov werden dat soort vragen in het Westen langzamerhand minder op prijs gesteld. Toen het `nieuwe denken' – afscheid van de confrontatiepolitiek van de stalinistische mastodont Gromyko en omarming van solidariteit in het `Europese huis' door Sjevarnadze – eenmaal was aanvaard, gingen alle sluizen open. Terwijl de leiders in Moskou hun ideologische bril opborgen, zette het Westen hem juist op. Dat ontnam het zicht op tenminste één cruciale contra-indicatie van het afsterven van het oude Sovjet-Russische imperium. Nu Rusland zich had ontdaan van zijn rijk moest het er `voor het eerst in zijn geschiedenis mee in het reine komen louter een natie' te zijn, aldus de Britse historicus Robert Service in de veelzijdige essaybundel Reinterpreting Russia. Hoewel niet één-op-één vergelijkbaar had dat proces reminiscenties kunnen oproepen aan de geboorteweeën van het moderne Turkije.

De analogie tussen de teloorgang van het Ottomaanse Rijk en de Sovjet-Unie was echter niet populair. Rusland moest nú Europees worden. Volgens Simes hoopte ook Boris Jeltsin dat toen hij in september 1993 in Warschau, `na een slok teveel', tegen zijn collega Lech Walesa zei dat hij geen bezwaar had tegen een Pools NAVO-lidmaatschap.

De nieuwe wereldorde van George Bush kon onder zijn opvolger Bill Clinton daarom al snel een wereldomvattend concept worden. Via de harde monetaire hand van het IMF en de zachte druk van de nieuwe politieke vrienden zou ook Rusland als democratische martkteconomie in de vaart der volkeren worden meegezogen. Vandaar dat het Westen zich fixeerde op president Jeltsin en diens `jonge hervormers' in Kremlin en regering. Vandaar dat het Westen met name zo gelukkig was met één van hen: Andrej Kozyrev, de in Brussel opgegroeide nieuwe minister van buitenlandse zaken die zijn beleid niet stoelde op `belangen' maar op `normen'. Vandaar dat het Westen niet door wilde hebben dat zijn ontslag in 1996 ook het einde van een uitzonderlijke zaakwaarnemer kon betekenen.

Kozyrev had niettemin weinig tot niets vertegenwoordigd. Hij representeerde het `internationalistische' kamp in Moskou, een intelligent maar klein groepje dat zich liet leiden door de theorie dat grootscheepse privatisering vanzelf zou leiden tot interne democratisering en dus tot externe gelijkwaardigheid. Zijn opvolger Jevgeni Primakov daarentegen was gepokt en gemazeld in de klassieke school die geen afstand wilde doen van Rusland als `derzjava' (grootmacht). Al tijdens Kozyrevs ambtsperiode hadden Primakov en andere etatisten zich geafficheerd als `derzjavniki' voor wie Rusland een `regionale grootmacht, een mondiale mogendheid en een nucleaire supermacht' was en in de `multipolaire' wereld moest blijven. Voor de goede orde: deze trits beoogde iets anders dan `mister njet' Gromyko decennia lang had gepraktizeerd. Primakov realiseerde zich terdege dat de goede oude `bipolaire' tijd voorbij was. Als erfgenaam van de Sovjet-Unie was Rusland het heldere concept van zijn nationale belangen kwijtgeraakt. Het werd volgens Simes in After the collapse gedwongen tot een nieuwe buitenlandse politiek. Primakov liet zich daarbij inspireren door het `Gaullistische paradigma', aldus socioloog Leon Aron (ooit sovjet-burger, nu Amerikaan) in de specialistische bundel The new Russian foreign policy. Wat `grandeur' voor De Gaulle was, moest het begrip `derzjava' voor Rusland worden: `een positie, geen doctrine; een houding, geen coherente set dogmata'.

De ontwikkelingen binnen de Europese Unie en de NAVO maakten dat bovendien alleen nog maar urgenter. Het Verdrag van Maastricht (1992) en de nakende uitbreiding van het Atlantisch bondgenootschap daarna, revitaliseerden de angst voor omcirkeling. Zelfs de behoedzame diplomaat Vladimir Loekin, begin jaren negentig ambassadeur in Washington, kreeg genoeg van Kozyrev. `We hebben een echte man nodig op de zevende verdieping van het ministerie van buitenlandse zaken in plaats van een jongen die, om er zeker van te zijn dat hij de laaste instructies niet verkeerd heeft begrepen, eerst naar het Kremlin en het Witte Huis in Washington kijkt voordat hij zijn mond opendoet'. In de ogen van Loekin moest Rusland eerst maar eens op adem komen, had het (naar een woord van Lenin) een `peredysjka' nodig: een `periode om weer kracht te verzamelen en een bescheiden en goedkoop buitenlands beleid te voeren'.

Nabije buitenland

In het `nabije buitenland', zoals de oude sovjet-zone in het Russisch heet, had het Westen geen bezwaar tegen een dominante rol van Moskou. De inmenging in de Tadzjikistaanse burgeroorlog vond iedereen best, de chicanes in andere voormalige sovjet-republieken ook. Zelfs de oorlog om Tsjetsjenië riep geen serieuze reactie op. Zolang de Russische economie zwak bleef en de regering impopulair had het Kremlin volgens Simes toch `geen ander alternatief dan een beetje bulderen en zich uiteindelijk onderwerpen' aan de Amerikaanse koers, althans zolang die koers `het overleven van het bewind [van Jeltsin, hs]' niet in de waagschaal stelde. Want wat er sinds de jaren tachtig ook veranderd mocht zijn, Rusland was blijven hangen in een `protodemocratisch' fase, een stadium dat een enorme impuls gaf aan die tweede continuïteit in de Russische geschiedenis: een bestuurscultuur met `enkele dominate leiders die normale politieke competitie verachten en met een persoonlijk apparaat in het centrum arbritrair regeren'. Die moest volgens Service ook intact blijven omdat de leiders buiten het systeem hun `controle over het politieke proces' zouden kunnen verliezen.

Medio jaren negentig beleefde deze patronage haar hoogtepunt. De macht in Rusland lag toen in handen van een groepje geprivatiseerde staatsondernemers, bankiers en andere `oligarchen'. Zij beheersten de energiebronnen en andere strategische grondstoffen die voor de dollars zorgden, de import van consumptiegoederen die het gebrek aan binnenlandse productie kon verzachten, het transport, de meeste massamedia en dus de politiek. Het was bijvoorbeeld geen toeval dat oliegigant Loekoil, met zijn existentiële belangen in de Kaspische Zee, in 1997 bemiddelde bij een vredesakkoord met Tsjetsjenië waar de oliepijpen naar Novorossisk aan de Zwarte Zee nog steeds lagen. De plannen van Azerbaidzjan, Georgië, Oekraïne en Moldavië om over hun grondgebied een pijp linea recta naar Roemenië te trekken, was niet alleen voor de Russische staat een bedreiging maar ook voor de oliebranche. Zoals het evenmin uit de lucht kwam vallen dat Boris Berezovski – onder meer eigenaar van oliemaatschappij Sibneft, vooral bekend als de oligarch met de grootste mond in Moskou omdat hij zich heeft verbonden met de familie Jeltsin - na de mede door hem gefinancierde herverkiezing van de president in 1996 secretaris mocht worden van de Nationale Veiligheidsraad. En diens concurrent Vladimir Potanin (grootaandeelhouder van Sidanko-olie) na deze `narrow escape' voor de jonge hervormers een bijbaantje als vice-premier kreeg.

Met sommige oligarchen onderhield het Westen, via privatiseringsgoeroe Anatoli Tsjoebais, goede banden. Omdat Primakov ondertussen gewoon bleef zitten, dacht het Westen er dus een schepje bovenop te kunnen doen. Minister Akbright van buitenlandse zaken begon `boodschappen' rond te sturen aan de leiders die zich binnen de nieuwe wereldorde recalcitrant bleven gedragen. Volgens Bush' voormalige ambassadeur in Moskou, James Matlock, sprak daaruit `een patroon van strategische misverstanden'. De Russische commentator Aleksei Poesjkov, een man zonder heimwee naar de sovjets, nam Primakov zelfs in bescherming. `Ze staan klaar om James Baker en Henry Kissinger toe te juichen, maar de Amerikanen kunnen de gedachte niet verdragen dat een vergelijkbaar stevige en flexibele diplomaat aan het hoofd staat van het Russische ministerie van buitenlandse zaken. Wat ze bij zichzelf opwindend vinden, haten ze bij anderen'. Ook Aleksandr Bovin, begin jaren negentig de eerste sovjet-Russische ambassadeur in Israel sinds 1967 en alleen al daarom geen havik-eerste-graad, keerde terug op het honk. `Rusland is verwikkeld geraakt in een nieuwe wereldwanorde. Het spel van weggeven heeft niet gewerkt. We zijn nu omringd door een wereld waar egoïstische belangen en economische rivaliteit veel sterker zijn dan de afgekondigde sympathie voor Russische democratie'.

Maar ach, wie bekommerde zich om zulke geluiden in deze gouden tijden. Zeker, de bevolking kon geen begrip opbrengen voor de hervormingen. Dat bleek bij nagenoeg alle verkiezingen die steeds door de `nationaal-communistische' oppositie werden gewonnen. Ook in kringen die er wel warmpjes bijzaten, werden de wenkbrouwen wel eens gefronst. Zo zei een hoge ambtenaar in die dagen tegen Simes: `Ik maak me zorgen om onze bankiers. Ze zijn te pushy. Als zij ons buitenlands beleid gaan dicteren en in het buitenland net zo assertief en meedogenloos gaan opereren als thuis, zou dat wel eens hèt recept kunnen zijn voor problemen'. Veel verder reikten zulke kanttekeningen echter niet. Een functionaris van Gazprom, een monopolistisch gasconcern nauw gelieerd aan premier Viktor Tsjernomyrdin, wist wel beter. `Jongens, waarom maken jullie je zorgen over de uitbreiding van de NAVO. Ik kan jullie verzekeren dat de uitbreiding van de NAVO in het Oosten meer dan gecompenseerd zal worden door de uitbreiding van Gazprom in het Westen', citeert Aron.

Clientèle

Aan dit feest kwam een abrupt einde. En wel op 17 augustus 1998, de dag waarop de Russische staat besloot zijn schulden niet meer op tijd af te betalen en nagenoeg het hele financiële systeem in elkaar stortte. De meeste Westerse banken bekommerden zich in de eerste plaats alleen om de materiële verliezen die ze voortijdig moesten afschrijven. Maar in Rusland had de `day after the night before' meer gevolgen. De fractie der `jonge hervormers' dook onder en moest de patronage nu aan de `derzjavniki' overlaten. Dat was voorspelbaar. Het `kto kogo' (wie pakt wie) was de kern van de clièntele-cultuur gebleven. Na de crisis kon zich dus soepel een wisseling van de wacht voltrekken – gesymboliseerd in de benoeming van Primakov tot premier – die ook consequenties had voor de wereld.

Als dat maar goed ging. De combinatie van meer openheid plus patronage zou wel eens kunnen uitnodigen `tot exploitatie van het post-imperiale trauma', zoals Aron voor de 17de augustus al had geschreven in The new Russian foreign policy. Deze `verzoening van het onverzoenlijke', voorspelde de Amerikaanse politicoloog Coit Blacker van de Stanford-universiteit in hetzelfde boek, kon dan ook `terugslaan' met alle `strategische gevolgen' vandien.

Een heldere prognose. Na augustus 1998 waren de bankiers namelijk niet meer zo zeker van hun zaak als tijdens het grote privatiseringscircus. Plots kreeg het gaullisme praktische contouren. Juist omdat Rusland geen `supermacht' meer was, moest het zich als `grote macht' presenteren om het Westen plus IMF te kunnen afklemmen. Bijvoorbeeld door, naar goed Russische gebruik, al improviserend een coalitie van `ontevreden' staten in de nieuwe Pax Americana te smeden. De angstaanjagende buren China en, in mindere mate, Iran waren daarvoor in theorie altijd de eerste gegadigden geweest. Tot Kosovo een uitgelezen kans bood voor een veel simpeler maar even effectieve provocatie. Rusland deed mee in Rambouillet, maar wel zo passief mogelijk. Het steunde het akkoord, maar niet de appendix waarmee Servië de-facto bezet kon worden. Het kritiseerde de bombardementen, ging via premier Primakov bemiddelen maar ondernam geen echte actie. Het IMF moest immers ook nog over de brug komen. Het Westen waande zich thuis.

In Rusland daarentegen kwam alles en iedereen nu in beweging. De sinds augustus aangeslagen oligarchen zagen achter het rookgordijn in Kosovo een nieuwe ronde met nieuwe prijzen opdoemen en voerden de druk op Jeltsin op. Berezovski was weer welkom in het Kremlin. De president reageerde op vertrouwd byzantijnse wijze: begin mei ontsloeg hij Primakov, verving hem door generaal Stepasjin van de binnenlandse strijdkrachten en benoemde Tsjernomyrdin tot zijn speciale Balkan-afgezant die ook nog eens succes boekte door op 3 juni Servië voor het oog van de wereld op de knieën te krijgen.

Het klusje leek geklaard. Ware het niet dat deze nieuwe caroussel ook een vacuüm had geschapen. Het vertrek van Primakov was voor de legerleiding het signaal geweest zich eveneens te hergroeperen. Dat de oligarchen hun circustent weer gingen opzetten, was immers een gevaar voor het militaire apparaat. Moe gebeukt met bezuinigingen op het leger (het budget was met 45% en de omvang met 34% gedaald), politieke douwen en een nederlaag in Tsjetsjenië moest het nú een opening zoeken.

Brigade-generaal Zavarzin vond haar toen hij zaterdag voor dag en dauw Priština binnenrolde. Op wiens bevel deed hij dat? Minister Igor Ivanov van buitenlandse zaken, Primakovs leerling, zei van niets te weten. En de president zelf zweeg. Pas drie dagen en veel hilariteit in Rusland later liet de chef van de staatsveiligheidsdienst weten dat Jeltsin het commando had gegeven. Weinigen geloofden het. De provocatie droeg eerder het keurmerk van generale staf en inlichtingendienst die ten langen leste een voldongen feit wilden scheppen: om, in variant op Simes, duidelijk te maken dat de som `Jeltsin = Amerika' geen politieke formule is.

Een verrassing? Nee. Weliswaar speelde sterren en balken tot nu toe bijna nooit een doorslaggevende rol in de formele politiek. Maar dat betekent niet dat ook deze historische continuïteit – net als omsingelingsfobie en patronage – onbewogen is gebleven in een wereldorde die volgens Shaw in Russia in the modern world een `eeuwenoud veiligheidprobleem' nog niet heeft opgelost. `De militaire factor is van grote betekenis geworden. Het is ondenkbaar dat die in de nabije toekomst een kleinere rol zal gaan spelen'. De moderne nationalist Pjotr Stroeve, wist dat begin deze eeuw al. `Het is onmogelijk om Rusland zonder of los van het leger te laten herleven. Het leger – en niet deze of gene generaal, hoe groot ook zijn verdiensten – is de levende personificatie van het officiële zijn van Rusland'.

Geoffrey Hosking & Robert Service (ed): Reinterpreting Russia.

Arnold, 232 blz. ƒ65,55 (pbk)

Denis J.B. Shaw: Russia in the modern world. A new geography.

Blackwell, 314 blz ƒ65,55 (pbk)

Dimitri K. Simes: After the collapse. Russia seek its place as a great power.

Simon & Schuster,272 blz. ƒ63,75

Michael Mandelbaum (ed): The new Russian foreign policy. Council of foreign relations books (1998), 202 blz. ƒ45,75 (pbk)