IJslandse zwaait met haar bezem naar de maan

Voor continentbewoners is IJsland een poëtisch Terra Incognita. Niet eerder waren IJslandse dichters te gast op internationale poëziefestivals en Poetry International is geen uitzondering wat dat betreft. Maar dat werd gisteren ruimschoots goed gemaakt. Op de vijfenvijftigste onafhankelijkheidsdag van de Republiek IJsland – in de pauze gevierd met een Aquavit-achtig drankje met de veelzeggende naam `zwarte dood' – lazen vijf IJslandse dichters gisteren in de Rotterdamse Schouwburg voor uit eigen werk.

Dit vijftal behoort tot het IJslandse modernisme dat pas tot bloei kwam nadat het eiland door de Tweede Wereldoorlog aan zijn desolate isolatie werd onttrokken. Tot die tijd was de poëzie, net als de taal, gedurende acht eeuwen vrijwel niet veranderd. In het werk van Baldur Óskarsson klinkt nog de mystiek van de natuur door die kenmerkend is voor de grote nationale gedichten als de Edda en de Saga's uit IJslands `gouden' middeleeuwen. Licht murmelend riep hij beelden op van een wereld overgeleverd aan de elementen: ,,Nog is het licht. Langzaam wegstervend./ Dofbruisende zee. – Koelgroen de hemel. – De schaduw/ verblauwt.''

De andere, jongere, dichters keerden zich juist resoluut af van de romantische natuurlyriek en mythische thema's. Linda Vilhjálmsdóttirs zakelijke beschrijvingen betroffen niet de veelvuldig bezongen schoonheid van de korte Noordse zomers maar de regen, vrieskou en donkerte waar het eiland vier maanden per jaar in is ondergedompeld.

Ook sociaal en politiek commentaar heeft zijn weg gevonden in de hedendaagse IJslandse dichtkunst. Sjón, die naast dichter ook tekstschrijver voor zangeres Björk is, hekelde de overvleugeling van zijn kwart miljoen mensen tellende volk door grote buurman Amerika, `een reusachtig kind/ dat zich tussen de oceanen uitrekt'. Vilborg Dagbjartsdóttir betoonde zich in haar `Ode aan de maan' een strijdvaardig feministe met gevoel voor humor: `Als ik klaar ben met stoffen /Als ik klaar ben met wassen/ Als ik klaar ben/ dan ga ik het balkon op/ om met mijn bezem dreigend/ naar de maan te zwaaien/ daar is geen vrouw naartoe/ gestuurd met haar/ POETSDOEK/ nog niet.'

Maar voor Didda, enfant terrible van de IJslandse poëzie en exponent van de punkgeneratie, zijn deze zachtaardige humor en aardse ironie een gepasseerd station. Agressief slingerde zij haar staccato zinnen vol hardhandige seks, terloops geweld, drankmisbruik, kotsen en angst, de zaal in. Haar vernietigingsdrang balde zich samen in bijtende woordexplosies, die zich vooral richtten tegen het saaie leven op een kale, geïsoleerde rots in de oceaan. In haar visie is IJsland niet meer dan een achterlijke uithoek `Waar de vrouwen/ zichzelf bevredigen/ met de fitting/ van de lampen/ om spanning/ in hun leven/ te krijgen.'

Morgen om 20.00u. in de Grote Zaal van de Stadsschouwburg een internationaal programma. Om 22.30u in Café Floor het slotfeest.