Het ballenpikkermonument

Ik zag op TV, bij de Amsterdamse zender AT5, een korte reportage over Johan Cruijff, op bezoek in Betondorp. Voor zijn geboortehuis in de Akkerstraat werd hij toegezongen door het duo Lijn Negen met `Johan', hun loflied op Cruijff. Het was mooi weer, de stemming was goed en heel wat buurtbewoners waren uitgelopen om hun Johan weer even te zien. Cruijff groette links en rechts oude bekenden en voelde zich zichtbaar op zijn gemak in zijn oude buurt: `Hun met mij en ik met hun, dus dat is altijd een tweerichtingsverkeer.' Cruijff was ook gekomen om in de Tuinbouwstraat een zogeheten veiligheidspost van de politie te openen. Daarvoor had men iets bijzonders bedacht. Hij hoefde geen lint door te knippen of met een dienstfiets door een papieren hangslot te rijden – hij mocht, met een door de politie ter beschikking gestelde bal, het glas van de voordeur aan diggelen schieten. Dat ging hem volgens de nieuwslezer minder makkelijk af dan vroeger: pas bij zijn derde trap vloog de bal door de ruit, onder luid en opgelucht applaus.

Het was leuk en hilarisch, en toch hield ik er gemengde gevoelens aan over. Het tafereel deed denken aan de scène in de film Nummer Veertien (1973) waarin Cruijff in diezelfde Akker- en Tuinbouwstraat rondloopt en ijverig wordt gegroet en aangesproken door zijn voormalige mede-buurtbewoners. Cruijff kan dan niet nalaten op te merken: `Nu zeggen ze `u' tegen me, vroeger werd ik uitgescholden'. Hij herinnert zich maar al te goed dat hij vroeger `dat kreng van Cruijff' werd genoemd en dat men, als er ergens een ruit werd ingetrapt, er blind van uitging dat hij het wel weer gedaan zou hebben.

Een van de straatvriendjes van Cruijff wendt zich dan naar de camera en fluistert iets over een buurman met een tuin, terwijl hij naar de voor ons niet zichtbare overkant van de straat knikt. Er spreekt minachting uit zijn blik – en uit zijn woorden: `Het was een kolere-, een rotman tot en met, een chagrijn', die minstens twintig van hun ballen zou hebben lek gestoken. De camera zwenkt vervolgens brutaal naar de overkant, zoomt in op de man en loopt er vervolgens daadwerkelijk op af. Hij bevindt zich in wat zijn natuurlijke omgeving moet zijn, en in een karakteristieke houding: in zijn voortuintje, achter een heg, op zijn knieën, harkje in de hand, krabbend tussen zijn planten.

Hij gaat onverstoorbaar door met zijn werk, ook als de cameraman hem vraagt of het waar is dat `Johan vroeger van u niet mocht voetballen?' Het is een spannende scène, met de camera als een mitrailleur gericht op het weerloze slachtoffer. Zijn positie is niet te benijden: hij kan op voorhand op weinig sympathie rekenen, want hij heeft een nationale voetbalheld vroeger het leven zuur gemaakt. Hij heeft van de geschiedenis geen gelijk gekregen. De man lacht wat onzeker, en lijkt aanvankelijk niet te willen antwoorden, maar toch slaagt hij erin op zijn knieën een zekere waardigheid te behouden. Terwijl hij een rozenblaadje afrukt en met zijn andere hand nog een geroutineerde schoffelbeweging maakt, spreekt hij deze onsterfelijke woorden: `Wat ik gedaan heb is mijn tuin verdedigen.' Hier heeft zich vroeger een strijd afgespeeld, dat is duidelijk, een oorlog tussen tuinafweergeschut en steeds hernieuwde luchtaanvallen vanaf de straat, waarbij zeker twintig ballen zijn gesneuveld. Dat de tuinman dit gevecht uiteindelijk heeft verloren lijkt hij wel toe te willen geven, maar er is iets moedigs in de manier waarop hij zijn rol in de oorlog achteraf verdedigt.

Er is over dit historische conflict tussen straat en tuin een mooi gedicht van Jan Kal, met in de hoofdrol niet een voetballer, maar een buurman die later beroemd zou worden. Het speelt zich af in Haarlem, in de Zonnebloemstraat, waar de bewoner van nummer 57 de rol van ballenpikker vervulde. Uit de slotregels blijkt dat deze opa niemand minder was dan Anton Constandse (1899-1985), doctor van beroep, en anarchist bovendien:

`Mijn neef woonde op 61 rood.

57 was de ballenpikker.

Voor Opaatje, een soort vogelverschrikker,

was Haarlems Zonnebloemstraat als de dood.

Toen ik een plastic bal, geen leren knikker,

bij een partijtje richting putje schoot,

vloog deze schuin en hoog over de goot

in Opaatje z'n voortuin. Slechte mikker.

Ik deed het tuinhek, hij de voordeur open.

Hij greep de bal, terwijl ik achterbleef

met lege handen, neefje van Han Kal!

Sindsdien zijn er zo'n twintig jaar verlopen,

sinds Opaatje Bevrijdend denken schreef.

O Anarchisme van de daad: dag bal.'

Van de historische strijd tussen deze twee erfvijanden (de kleine straatvoetballers tegen de grote voortuinbezitters) is vijftig jaar na Jan Kals ontmoeting met Constandse en vijfentwintig jaar na de ondervraging van Johan Cruijffs vroegere buurman niets meer over. Op straten wordt niet meer gevoetbald, en er hoeven door buurmannen dus ook geen ballen meer lek gestoken te worden.

Kome er, ter herinnering, nog eens een standbeeld voor al deze anonieme balafpakkers met hun tuintjes: bij voorkeur gehurkt, gebogen over een perk, met een tuinkrabber in de rechterhand en tussen de benen stevig geklemd de zojuist afgepakte bal, voorzien van de tekst: `Wat ik gedaan heb is mijn tuin verdedigen.'

Ik weet nu ook wat mij treurig maakte bij het zien van die AT 5-reportage over Cruijff. Wat ik daar zag was de omgekeerde wereld: een politieman die trots zijn bal aan de omstanders liet zien alvorens hem te overhandigen aan de inmiddels wereldberoemde jongen uit de straat, met het beleefde verzoek of meneer Johan zo vriendelijk zou willen zijn er een spiksplinternieuwe ruit mee aan barrels te schieten, de ruit van het politiebureau nog wel. Het leek mij symbolisch voor de teloorgang van het straatvoetbal: dat werd hier nu door Johan Cruijff, de straatvoetballer bij uitstek, en nog wel in de straat waar hij zelf het voetballen had geleerd, definitief ten grave gedragen.