Een lucifer met bruin haar

Eigenlijk wil je niet vooral lezen in Marie Delafons De goeie broek. Je wilt vooral kijken. Naar de gans die een beetje hoeratenen heeft maar dan in zwemvliesvorm. Naar de subtiele schaduwtjes onder de kippennageltjes. Naar de markt op het schutblad, waarin alles plat en perspectiefloos en schijnbaar knullig met potlood is getekend: de slechtgeschoren slager met zijn grote messen en kleine worstjes, de Franse werkman in het café die een sigaret rookt, vast een gauloise, de interessante kaasjes op een enorme tafel – ach, een markt vol heerlijkheden maar eigenlijk meer een markt van grappige lijntjes en platte figuurtjes. Een feest.

Toch rukken we ons los en gaan het boek binnen en zien ma die op de markt een broek koopt. Een rode met gele knopen en lussen. `Een goeie broek van linnen voor de jongen van mijn hart', toetert ma als ze thuis komt. Die jongen van haar hart is Siem. En die broek is hem kilometers te groot. `Siem zwóm in zijn geschenk,/ hield de broek angstvallig vast,/ en zei toen: Ma, ik denk/ dat dit zwembad me niet past.'

Siem rijmt en ma ook en alles en iedereen. Leuk opwekkend rijm. Grappig en metrisch meestal in orde en soms even lekker niet, maar dat past er wel bij. Dat is dus erg goed vernederlandst door Bart Moeyaert, die trouwens al in veel vertalingen blijk heeft gegeven van grote vindingrijkheid. Tussen de rijmen door zien we Siem, een soort lucifer met bruin haar en een veel te grote broek, en scènes uit zijn dagelijks leven. In verf, met royale kleurvlakken en geregeld is er iets doorzichtigs van potlood te zien als Marie Delafon zeker geen zin had om alles in te kleuren. Een doorzichtig zakmes, een doorzichtig peper- en zoutstel, doorzichtige kippen en een doorzichtig trekkarretje.

Het verhaal van Siem bestaat uit het drama van de broek. Die is te groot en blijft te groot omdat Ma niet aan vermaken toekomt. En straks moet Siem naar school. Op een avond valt hij uit: dat niemand naar hem luistert en niemand acht op hem slaat en dat het niet goed komt met die broek. Hij krijgt de wind van voren van pa die geen zin heeft in kindergezeur. `En met dat laatste ferme woord/ was de sfeer voorgoed verstoord.'

Wel jammer van die sfeer, want op het plaatje ziet alles er zo verrukkelijk uit. Het hele gezin zit in een achtergrond van warm geel buiten tussen twee bomen aan een roze tafel een of andere ovenschotel te eten van oranje borden, tussen de bomen hangen lampionnen. Maar behalve Siems broer en zus kijkt iedereen ongelukkig. En op de volgende pagina ligt een klein figuurtje in een donkere kamer in het verre huis op bed te huilen. En een paar bladzijden verder zit hij achter de voorraadschuur en het konijnenhok nog steeds te snikken in zijn veel te grote broek: `Niemand, niemand houdt van mij!'

Ach het is alles heel eenvoudig, dit verhaaltje, de platen, de rijmen, en het is allemaal goed. En het komt trouwens ook allemaal goed met de diepbedroefde Siem in zijn zwembad van een broek. Tot slot is er dan weer een schutblad met die markt met platte konijnen en een plat zangvogeltje want dat eten Fransen en met een varken met een heel royale krulstaart. En binnenin kan ook niemand in één keer al alles gezien hebben. Dus: van voren af aan beginnen.

Marie Delafon: De goeie broek. Vert. uit het Frans door Bart Moeyaert (Le pantalon de Gaston). Querido, ƒ23,95