De kunst van het sjoemelen

Dit is een scenario voor een perfecte misdaad. Een hoogbejaard Russisch echtpaar, in bezit van een grote kunstcollectie, besluit naar Nederland te emigreren. De collectie, met een waarde van vele miljoenen guldens, is niet gecatalogiseerd. Behalve de oude Russische verzamelaar zelf weet niemand precies wat de collectie inhoudt, zelfs zijn vrouw niet. Bij hun emigratie wordt het Russische echtpaar geholpen door een bekende kunsthandel, die zonder veel moeite de collectie de Russische grens over weet te smokkelen. In Nederland ontfermen ten slotte allerlei duistere figuren zich over het solitair levende echtpaar. Na de dood van beide hoogbejaarden weten zij zich meester te maken van de kunstwerken en ook van de stichting die de collectie erft. Hoewel de stichting officieel als doel heeft de verzameling bijeen te houden, kan het grote plunderen nu beginnen. Waardevolle stukken worden voor vele miljoenen guldens verkocht aan de galerie en de opbrengst verdwijnt grotendeels in de zakken van de duistere figuren. Er kraait geen haan naar, want behalve de duistere figuren en de smokkelaarsgalerie weet niemand immers waaruit de waardevolle collectie nu precies bestond.

Bijna is het zo gegaan met de Russische verzamelaar Nikolaj Chardzjiëv (1903-1995) en zijn vrouw Lidia Tsjaga (1912-1995). Chardzjiëv was een letterkundige die Russische avantgardisten als Kroetsjonych, Malevitsj en Tatlin nog persoonlijk had gekend. Omstreeks 1930 vatte hij het plan op om de geschiedenis te schrijven van het Russische futurisme. Om die reden had hij van de futuristische schrijvers en schilders zelf veel oorspronkelijke documenten, tekeningen en schilderijen gekregen. Maar het Russische futurisme raakte in de Sovjet-Unie van Stalin in ongenade en Chardzjiëv heeft zijn geschiedenis nooit gepubliceerd. Wel bewaarde hij zorgvuldig al zijn spullen over het futurisme en breidde hij zijn verzameling van staatswege verfoeide kunstwerken zelfs uit.Na de dood van Stalin groeide Chardzjiëv geleidelijk uit tot een gerespecteerd kenner van de Russische avant-garde, maar zelfs toen hield hij de precieze omvang en inhoud van zijn collectie diep geheim.

In 1993 besloot Chardzjiëv te emigreren. Weliswaar was de Sovjet-staat die hem zijn hele leven dwars had gezeten ten onder gegaan, maar nu waren het de misdadigers van het Wilde Oosten die op zijn collectie aasden. Via de Nederlandse hoogleraar Russisch Willem Weststeijn kwam Chardzjiëv in contact met de Keulse galerie Gmurzynska, die in Russische avant-garde-kunst was gespecialiseerd. Weststeijn zou zorgen voor vestiging van het echtpaar Chardzjiëv-Tsjaga in Nederland en galerie Gmurzynska voor het transport van zijn collectie naar Nederland, hoewel de Russische wet de export van waardevolle cultuurgoederen verbood.

Smokkelaars

Dat de emigratie van Chardzjiëv en Tsjaga niet verliep volgens het scenario van de perfecte misdaad, had twee oorzaken. De eerste was dat de smokkel van een deel van Chardzjiëvs literaire archief mislukte. Op 22 februari 1994 werd Diman Jakobson aangehouden door de Russische douane, omdat hij in zijn koffer een schat aan documenten had van onder anderen de Russische avantgardisten Chlebnikov, Malevitsj en Lissitzky. Ook bevond zich in zijn koffer een handgeschreven contract tussen galerie Gmurzynska en Chardzjiëv, dat bepaalde dat laatstgenoemde in ruil voor 2,5 miljoen dollar zes werken van Malevitsj `in eeuwige bewaring' aan de galerie zou geven. Een rel was geboren. In de Russische pers verschenen artikelen over de kolossale kunstsmokkel en NRC Handelsblad publiceerde een uitgebreid artikel over de dubieuze praktijken van galerie Gmurzynska.

Maar na verloop van tijd werd het weer stil rondom de collectie-Chardzjiëv en kon de uitvoering van het scenario van de perfecte misdaad worden hervat. Dat dit uiteindelijk toch niet is gebeurd, is te danken aan de Volkskrant-journaliste Hella Rottenberg, die van 1991 tot 1994 correspondente in Moskou was. Haar belangstelling voor de zaak-Chardzjiëv werd gewekt toen ze in 1997 ontdekte dat in het diepste geheim in het Stedelijk Museum in Amsterdam een tentoonstelling werd voorbereid van 78 tekeningen van Malevitsj uit de collectie-Chardzjiëv. Na de dood van zowel Lidia Tsjaga als Nikolaj Chardzjiëv, was de collectie van Chardzjiëv overgegaan naar de Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tschaga. Nu de nalatenschap van Chardzjiëv bijna was afgewikkeld, vond de executeur-testamentair, ex-notaris Michael Privé, het tijd om te laten zien waaruit de collectie-Chardzjiëv zoal bestond.

Rottenberg schreef een artikel over de ophanden zijnde Malevitsj-tentoonstelling in het Stedelijk Museum en stuitte op allerlei onregelmatigheden rondom de collectie-Chardzjiëv. In de twee volgende jaren deed ze steeds meer ontdekkingen waarover ze telkens publiceerde in de Volkskrant. Zo kwam ze er achter dat Privé niet alleen de executeur-testamentair van de nalatenschap van Chardzjiëv was, maar ook het enige bestuurslid van de `Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tschaga'. In zijn laatste hoedanigheid had hij de statuten van de stichting zodanig veranderd dat verkoop van kunstwerken uit de collectie-Chardzjiëv mogelijk was geworden. Niet veel later ontdekte ze dat de stichting inmiddels kunstwerken ter waarde van dertig miljoen gulden had verkocht aan galerie Gmurzynska. Slechts een klein deel hiervan was terechtgekomen in de kas van de stichting, het overgrote deel verdween in de zakken van Privé, pensioenadviseur Jan Buse en de Russische emigrant Boris Abarov. De laatste had het vertrouwen van het echtpaar Chardzjiëv-Tsjaga weten te winnen en had niet alleen de verzorging van het echtpaar geregeld maar hen ook zorgvuldig afgeschermd van de buitenwereld die immers vol rovers was. Als dank had Chardzjiëv hem benoemd tot enig erfgenaam van zijn kapitaal en zijn huizen in Amsterdam en Moskou.

Notabelen

Het boek dat Rottenberg nu over de zaak-Chardzjiëv heeft gepubliceerd is veel meer dan een bundeling van eerder geschreven artikelen: Meesters, marodeurs. De lotgevallen van de collectie-Chardzjiëv is een gedetailleerd verslag van alles wat Rottenberg heeft ontdekt over de zaak-Chardzjiëv. En dat is veel, bewonderenswaardig veel zelfs. Toch is het Rottenberg gelukt er een meeslepend boek van te maken: ondanks de overvloed aan bijzonderheden, leest het als een meesterlijke detective.

Rottenberg heeft met iedereen gesproken die Chardzjiëv kende of iets met de zaak te maken had: van Chardzjiëvs neef in Moskou tot de Russische emigrant Skoblikov die Abarov ervan beticht Lidia Tsjaga van de trap te hebben gegooid met de dood als gevolg. Van een anoniem gehouden persoon in Amsterdam krijgt ze ten slotte de sleutel tot de zaak-Chardzjiëv: de inventarislijst van de collectie-Chardzjiëv, die volgens galerie Gmurzynska nooit had bestaan. Maar liefst 1350 nummers telt deze lijst, waaronder 125 tekeningen en zeven schilderijen van Malevitsj, 122 tekeningen, gouaches en litho's van Larionov en ongeveer 72 werken van Lissitzky. Sommige experts schatten de waarde van de collectie op honderd miljoen gulden, andere zelfs op 300 miljoen gulden. Mede aan de hand van deze lijst weet Rottenberg vast te stellen dat 34 werken, waaronder topwerken van Malevitsj, inmiddels uit de collectie zijn verkocht of verdwenen.

Tussen alle spannende verwikkelingen rondom de collectie-Chardzjiëv door geeft Rottenberg in haar boek een schets van de wonderlijke wereld waarin het echtpaar Chardzjiëv-Tsjaga in Nederland terechtkwam. Aan het einde van hun leven waren Chardzjiëv en Tsjaga omringd door Russische scharrelaars, malafide kunsthandelaren en louche notarissen, advocaten en `pensioenadviseurs'. Na hun dood kregen ook hautaine museumdirecteuren en overheidsdienaren met geheel eigen belangen belangstelling voor hun collectie.

Het is tragisch dat Chardzjiëv en Tsjaga op hun vlucht voor rovers in Nederland met dergelijke lui kregen te maken. Maar dit hadden ze gedeeltelijk aan zichzelf te wijten, laat Rottenberg zien. Al in de Sovjet-Unie was Chardzjiëv een obsessief en buitengewoon wantrouwend verzamelaar, die uiteindelijk met vrijwel al zijn vrienden en kennissen ruzie kreeg. Zo noemde Nadezjda Mandelstam, de weduwe van de dichter Osip Mandelstam, Chardzjiëv een `marodeur' (oplichter), nadat hij de handschriften en documenten van haar man, die ze hem in goed vertrouwen had geleend, niet wilde teruggeven.

Vlak na hun emigratie naar Nederland had het echtpaar nog wel te maken met goedwillende en oprechte belangenbehartigers, maar die haakten allemaal af na voortdurende scheldpartijen, verdachtmakingen en beschuldigingen van de bejaarde Russen. Zo vielen Chardzjiëv en Tsjaga ten slotte in handen van Abarov, die met het oog op hun waardevolle collectie hun grillig en paranoïde gedrag maar al te graag voor lief nam.

Wat de betrokkenen bij de zaak-Chardzjiëv met elkaar gemeen hadden, is dat ze allemaal op een of andere manier gebruik wilden maken van de collectie en zich hierbij weinig gelegen lieten liggen aan Chardzjiëvs laatste wil om na zijn dood zijn geliefde collectie bijeen te houden. De Russische scharrelaar Abarov, de uitgetreden notaris Michael Privé, de pensioenadviseur Jan Buse en natuurlijk de Keulse galerie Gmurzynska hebben volgens Rottenberg allemaal miljoenen verdiend aan de verkoop van kunstwerken uit de collectie-Chardzjiëv. De directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, Rudi Fuchs, hoopte dat hij door samenwerking met galerie Gmurzynska en de `Stichting Cultureel Centrum Khardhiev-Tschaga' de kunstwerken van de Russische avant-gardisten in beheer zou krijgen. En de twee hoge ambtenaren van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Van Hoorn en Lodder, wilden de collectie-Chardzjiëv in de eerste plaats inzetten in het diplomatieke steekspel tussen Nederland en Rusland over de collectie-Koenigs. Al vele jaren maakt Nederland aanspraak op de collectie-Koenigs, een verzameling tekeningen van oude meesters die aan het begin van de Tweede Wereldoorlog door de Rotterdamse havenbaron Van Beuningen werd verkocht aan de Duitse bezetter en later door het Sovjetleger als oorlogsbuit werd meegevoerd naar Moskou. Als Nederland zorgt voor een hele of gedeeltelijke terugkeer van de collectie-Chardzjiëv naar Rusland, dan is Rusland eerder bereid tot teruggave van de collectie-Koenigs, dachten beide topambtenaren.

Diplomaten

Maar hun opzet mislukte. Toen galerie Gmurzynska door kreeg dat Privé meewerkte aan het diplomatieke offensief van de twee ambtenaren, stelde de Keulse kunsthandel een zwartboek samen over Privé dat ze de Nederlandse en Russische autoriteiten deed toekomen. Dit bracht de Nederlandse onderhandelaars in grote verlegenheid: de Nederlandse staat die een moreel beroep deed op Rusland om de Koenigs-collectie terug te geven, bleek nu immers zelf samen te werken met een oplichter.

De Nederlandse staat zag ten slotte geen andere oplossing dan de `Stichting Cultureel Centrum Khardhiev-Tschaga' via de rechter van een nieuw bestuur te voorzien. Twee mannen van onbesproken gedrag werden hiervoor gevraagd: oud-minister van Justitie Job de Ruiter en Henk van Os, ex-directeur van het Rijksmuseum. Zij zouden orde op zaken stellen en het Stedelijk Museum, waar de collectie inmiddels was ondergebracht, beloofde dat na inventarisatie nadere mededelingen zouden volgen.

Het is nu meer dan een jaar geleden dat de stichting een nieuw bestuur kreeg. Van Os is inmiddels wegens ziekte geen bestuurslid meer, schrijft Rottenberg aan het einde van haar boek. Maar De Ruiter liet niets horen en reageerde geprikkeld op vragen van Rottenberg naar zijn bevindingen. `De Ruiter liet merken dat hij niet was aangesteld om fraude en malversaties te onderzoeken. Hij zag het als zijn opdracht om de verzameling, zoals hij die toevallig bij zijn benoeming had aangetroffen, een legale status en een openbaar leven te verschaffen', schrijft Rottenberg. Toch haalde De Ruiter in november 1998 zijn collega-jurist Theo Bremer in het bestuur van de stichting. Volgens Rottenberg is Bremer `veel minder dan De Ruiter bereid de frauduleuze praktijken van het vorige stichtingsbestuur met de mantel der liefde te bedekken.' Maar zeven maanden later heeft het bestuur van de `Stichting Cultureel Centrum Khardjiev-Tschaga' nog steeds niets van zich laten horen. Zou de zaak-Chardzjiëv dan toch de perfecte misdaad zijn?

Hella Rottenberg: Meesters, marodeurs. De lotgevallen van de collectie-Chardzjiëv. Jan Mets, 255 blz. ƒ39,90