Compromis sociale zekerheid werkt niet

Het kabinet wil opnieuw de sociale zekerheid hervormen. Volgens Simon van Driel zal het niet leiden tot minder uitkeringen

De Tweede Kamer praat komende maandag over de organisatie van de sociale zekerheid. Daarbij gaat het om het kabinetsstandpunt over de wijze waarop de werknemersverzekeringen, de bijstand en de publieke arbeidsvoorziening moeten worden uitgevoerd. Het voorstel behelst een echt compromis, zoals te verwachten is van een kabinet waarin twee partijen domineren met een tegengestelde opvatting over de uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving in dit land.

De voorstanders van marktwerking zien dat de uitvoeringsinstellingen van de werknemersverzekeringen WW en de WAO geprivatiseerd worden. Geprivatiseerde uitvoeringsinstellingen (UVI's) gaan taken vervullen als uitkeringsverzorging, reïntegratie-activiteiten en premievaststelling en premie-inning. Daarnaast zal een gedeelte van de huidige arbeidsvoorzieningsorganisatie als private onderneming gaan functioneren.

Voorstanders van een sterk publiek stempel op de uitvoering van de sociale zekerheidswetten kunnen constateren dat de omvang van de privatisering meevalt.De uitvoeringsinstellingen gaan een veel kleiner terrein bestrijken dan in eerdere voorstellen de bedoeling was. Er komen publieke `Centra voor Werk- en Inkomen' met een breed takenpakket. Het werkterrein van deze Centra bevat taken als vacatures verzamelen, de intake ten behoeve van de werkloosheidwet en Bijstand, het vaststellen van de verwijtbaarheid van werkloosheid en de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid (de zogenoemde claimbeoordeling). Deze publieke taken worden regionaal uitgevoerd en centraal ondergebracht in een Landelijk Instituut Werk en Inkomen, dat een zelfstandig bestuursorgaan wordt.

Een mooi compromis, zo lijkt het. Elk wat wils. Eén vraag wordt echter nauwelijks gesteld laat staan beantwoord: zal deze constructie ook werken? Zal zo'n publiek Centrum voor Werk en Inkomen als voorportaal en een geprivatiseerde uitvoeringsorganisatie met een zeer beperkt takenpakket, leiden tot daling van het aantal arbeidsongeschikten en een verdere daling van het aantal werklozen? Anders gezegd, wordt de klant er echt beter van?

Bij de voorgestelde uitvoering van de WAO rijzen de meeste twijfels. Ten eerste omdat de hele uitvoering wederom overhoop gehaald wordt. De laatste twintig jaar zijn er telkens wijzigingen in de organisatie van de sociale zekerheid aangekondigd en aangebracht. Die permanente onzekerheid en over elkaar heen rollende wijzigingen zijn fnuikend voor een goede uitvoering. Ten tweede wordt nu een groot zelfstandig bestuursorgaan gevormd bestaande uit ettelijke duizenden medewerkers, waaronder zo'n 2000 administratieve krachten, vele honderden artsen en een duizend arbeidsdeskundigen. Deze grote landelijke instelling met veel decentrale vestigingen lijkt veel op een aantal jaren geleden opgeheven Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD). De GMD werd juist opgeheven omdat deze te traag en bureaucratisch was en slecht samenwerkte met de toenmalige bedrijfsverenigingen. Nu wordt een nieuwe `GMD' opgericht met bovendien een groot aantal taken op het vlak van arbeidsvoorziening erbij. Waarom zullen bij een dergelijke organisatie over een aantal jaren niet dezelfde problemen blijken?

Maar de grootste vraag is nog wel of de voorgestelde structuur de reïntegratie van de arbeidsongeschikte werknemer bevordert. De ervaring leert dat een zieke werknemer zo snel mogelijk bij de hand moet worden genomen. Liefst binnen 6 tot 10 weken na begin van de ziekte moeten degenen die grote kans lopen in de WAO terecht te komen al begeleid worden of naar ander werk of aangepast werk bij de eigen werkgever of naar een andere werkgever. De werkgever, de Arbodienst en de uitvoeringsinstantie moeten dan al gaan samenwerken om een gang naar de WAO te voorkomen. Veel minder moeten zij zich richten op de `end of pipe' aanpak: reïntegratie pas nadat de WAO is toegekend. Het kabinetsstandpunt zal hiertoe leiden. Zó zal er geen daling van het aantal WAO'ers tot stand komen.

Om de reïntegratie al in het begin van het eerste ziektejaar aan te pakken, zullen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige er een grote rol in moeten spelen. Maar deze personen worden nu juist in het publieke bestel bij de Centra voor Werk en Inkomen ondergebracht. De reïntegratie wordt de taak van de geprivatiseerde UVI's.

In plaats van het nu voorgestelde compromis moeten keuzes worden gemaakt. Of er komt een publiek stelsel, of er komt een privaat stelsel. Mocht alsnog voor een publieke uitvoering worden gekozen dan zal toch vooral op kosten gelet moeten worden. Publieke organen hebben vaak onvoldoende prikkels om aan kostenbeheersing te doen. Er zouden dan verschillende publieke organen kunnen zijn die door middel van benchmarking en stringent toezicht op kwaliteit en effectiviteit worden gecontroleerd door de toezichthouder. In zo'n constructie kan de stijging van het aantal WAO'ers in een daling omgezet worden door de publieke uitvoeringsinstantie bij de aanvang van de WAO-procedure te laten beoordelen of de werkgever in het eerste ziektejaar voldoende zijn best heeft gedaan om de betrokken werknemer te herplaatsen. Indien de werkgever onvoldoende inspanningen heeft verricht om de werknemer te reïntegreren dan kan een sanctie volgen: verlenging van de verplichting tot loondoorbetaling met een vol jaar. Dit geldt uiteraard voor die werkgevers die geen eigen risicodrager zijn. Deze dragen namelijk vijf jaar het eigen risico van de WAO.

De wetgever kan ook kiezen voor een privaat stelsel. Daar zitten voordelen aan:concurrentie leidt tot betere service en tot beheersing van de uitvoeringskosten. Maar dan moet er wel voor een veel bredere privatisering worden gekozen, dus inclusief de zogenaamde claimbeoordeling. Dan kan reïntegratie veel eerder worden ingezet dan in het hybride stelsel en succesvoller zijn. De werkgever zal er belang bij hebben en er zich aan houden dat aan het begin van de ziekte wordt ingegrepen. De betrokken werknemer moet dan wel voldoende bescherming genieten bij keuring en herplaatsing.

Een heel ander alternatief is om de hele uitvoering van de sociale zekerheid een paar jaar rust te gunnen. De nieuwe wet over premiedifferentiëring en de reïntegratiewet zijn nog nauwelijks in volle uitvoering. Over 2 à 3 jaar gaan werkgevers in hun portemonnee voelen welke financiële risico's zij lopen en welke prijs ze betalen voor het onvoldoende reïntegreren van WAO'ers. Misschien moet dit eerst een kans krijgen alvorens nieuwe ontwikkelingen in wet- en regelgeving in te zetten. Politiek is dit een onaantrekkelijke oplossing zolang het aantal WAO'ers in absolute zin stijgt. Maar daar staat tegenover dat het economisch van belang is dat het aantal WAO'ers per 1000 werknemers van de beroepsbevolking nog steeds daalt.

Er ligt nu een compromis in de vorm van een hybride systeem. Er wordt geprivatiseerd maar niet te veel en er blijft een sterke publieke poort bestaan. Het grote gevaar is dat de nieuwe structuur de reïntegratie bemoeilijkt. Daar is de aanstaande WAO'er niet mee gebaat en het kabinet ook niet.

Simon van Driel is directeur van de USZO, de uitvoeringsinstelling voor sociale zekerheid voor overheid en onderwijs.