Antonio Gramsci: Quaderni del carcere, 1929/37

Toen de 22-jarige student Antonio Gramsci zich in 1913 aansloot bij de arbeidersbeweging in Turijn zag hij in het socialisme `de religie die een eind moest maken aan het christendom'. Dat zou later typerend blijken voor de afwijkende opvattingen die hij voor de Italiaanse communistische partij ontvouwde en waaruit de PCI ruim twintig jaar later een alternatieve politieke theorie trachtte te destilleren.

Gramsci werd in 1891 op Sardinië geboren in een immigrantenfamilie uit Albanië. Zijn vader was een ambtenaar die in de arena van de Sardijnse politieke intriges in de gevangenis belandde. Het kinderrijke gezin verviel tot bittere armoede en ellende die de toch al zeer zwakke gezondheid van de kleine Antonio verder aantastte. Tien jaar later kreeg hij een studiebeurs en kon zich inschrijven aan de universiteit van Turijn. In de roerige jaren na de Eerste Wereldoorlog werd hij vervolgens een van de oprichters en leiders van PCI, woonde hij in Moskou bijeenkomsten van de Communistische Internationale bij en werd hij gekozen in het Italiaanse parlement.

In 1926, na de fascistische machtsgreep van Mussolini, werd Gramsci gearresteerd. Twee jaar later werd hij wegens samenzwering en agitatie tegen het bewind veroordeeld tot een gevangenisstraf van ruim twintig jaar die hij, soms na langdurige en martelende transporten, op diverse plaatsen moest ondergaan. Hij weerstond elke druk en verleiding zijn vrijheid te herwinnen door zijn politieke stellingname te verloochenen en de Duce gratie te vragen. Zonder illusies over de politieke toekomst en medisch gezien een wrak, ging hij er vanuit dat hij in gevangenschap zou sterven. Zijn belangstelling voor de dagelijkse politiek vervloog, hij richtte zijn aandacht nog slechts op de lange termijn en de theoretische vraag hoe de revolutionaire beweging de overwinning zou kunnen behalen. Binnen de gevangenis verkoos hij een vrijwel eenzame opsluiting boven sociaal contact met medegevangenen. Het bood hem de mogelijkheid boeken en kranten te lezen om zich optimaal te wijden aan enkele studies: over de natievorming en intellectuelen, de rol van de staat en de burgerlijke samenleving in Italië, de factoren waardoor het facisme aan de macht had kunnen komen en de vooruitzichten van het socialisme.

Bij zijn dood in 1937, in een gevangeniskliniek in Rome, liet Gramsci 32 notitieboekjes na waarin zich 2848 gekalligrafeerde blaadjes bevonden vol losse, soms moeilijk met elkaar in verband te brengen aantekeningen, invallen, schetsen en studieplannen. Het was een geschrift dat om tal van redenen intensieve redactionele bewerking vergde voor tot enige publikatie kon worden besloten. Uit vrees voor de censuur had de gevangene bepaalde namen (Marx, Lenin en Mussolini) weggelaten en een term als `marxisme' veranderd in `filosofie van de handeling'.

Gramsci achtte het door hem beslist verworpen determinisme in het marxisme slechts te vergoelijken voor een nog zeer zwakke arbeidersbeweging, die niet in staat was politieke initiatieven te nemen en zelfvertrouwen zocht in `historische wetmatigheden' die haar van de eindoverwinning op het kapitaal zouden verzekerden. Hij zag in de geslaagde machtsgreep van de Russische bolsjewiki in 1917 een bewijs van de onjuistheid van het historisch materialisme. Primitief geloof in de Voorzienigheid van de Geschiedenis remde volgens hem het politiek initiatief zodra de socialistische beweging sterk genoeg zou zijn om tot het offensief over te gaan.

De rode draad die hij in de geschiedenis van Europa zag, de grondgedachte van zijn theorie over de socialistische revolutie, was de ideologische en culturele ommekeer die zich voltrok in het Romeinse Rijk door de opkomst van de ideologie en de cultuur van het christendom. Onder leiding van de katholieke kerk hadden die de `hegemonie' veroverd, eerst in de civiele samenleving van daaruit ook in politieke machtsstructuren en de staat.

De term `hegemonie' – ontleend aan het Griekse hegeisthai (gids en bestuurder) – is het sleutelbegrip in Gramscis politieke theorie. Voor marxisten, vooral voor de aanhangers van Lenin, ging het in de klassenoorlog om de verovering van de staatsmacht en de mogelijkheden tot dwang en geweld die deze staatsmacht bood. De onderlinge krachtsverhoudingen tussen revolutionaire en contrarevolutionaire aspiraties bepaalden de uitkomst van deze strijd. Alleen uit tactische overwegingen was tijdelijk respect voor recht en wet denkbaar. Volgens Gramsci daarentegen ging het in de strijd om de heerschappij in de eerste plaats om de verovering van de hegemonie, om de vervanging van de oude en algemeen gangbare morele beginselen en politieke cultuur door nieuwe ethische en politieke principes. De vraag of de strijdende klassen eigen intellectuele elites wisten te vormen, die over de capaciteiten en creatieve vermogens beschikten om een dominante rol in de cultuur van de civiele samenleving te verzekeren, was hierbij beslissend.

Gramsci wilde `organische intellectuelen' mobiliseren, van wie ideologische en ethisch-politieke propaganda kon worden verlangd. `Een mensenmassa tot samenhangend en eensgezind denken over de hedendaagse werkelijkheid brengen is een `filosofische' daad van veel groter betekenis en `originaliteit' dan de ontdekking door een filosofisch `genie' van een nieuwe waarheid die slechts kleine groepjes intellectuelen zich eigen maken', aldus Gramsci. Aansluitend op de politieke theorie van Machiavelli, bepleitte hij de onderschikking van de intellectuelen aan de opvolger van `de vorst' in moderne tijden: de communistsche partij. `De kracht van religies en in het bijzonder die van de katholieke kerk heeft bestaan en bestaat nog steeds in het feit dat zij sterk doordrongen zijn van de noodzaak van doctrinaire eenheid van de gehele `religieuze' massa en zich inspannen te voorkomen dat de superieure intellectuele elementen zich van de inferieure losmaken'.

De eerste, wegens de relaties met Moskou door de PCI-leiding gecensureerde, edities van Gramsci's ideeën werden gepubliceerd in de jaren 1946-1951. De eerste volledige Italiaanse uitgave werd een jaar na Stalins dood in 1953 openbaar gemaakt en door de partijtop geautoriseerd in 1958. Kort daarop verscheen ook in Moskou een keuze uit het werk. Pas in 1975 volgde een wetenschappelijke uitgave van de Quaderni del carcere. In het Westen is Gramsci toegankelijk geworden aan het eind van de jaren vijftig door de nog altijd onvolledige Engelstalige Prison Notebooks.

Door de PCI werden de ideeën van Gramsci vanaf de jaren zestig gepresenteerd als een alternatief voor de Sovjet-ideologie. Zonder erkenning van Gramsci's opvattingen - tegenover het leninistische idee over het veroveren van de macht, dat in de hele internationale communistische beweging standaard was geworden – zou de PCI-variant ondenkbaar zijn geweest. Vooral door haar politieke successen werd de PCI onder Westeuropese communisten gangmaker en stimulator van het `eurocommunisme', dat een enige tijd aandacht trok en hoop opwekte maar uiteindelijk een illusie bleef. Haar pogingen zich als een nieuw ideologisch centrum in de communistische wereld te profileren werkten. Het befaamde voorstel van de PCI om op grond van Gramsci's hegemonietheorie én de reële krachtsverhoudingen in Italië een `historisch compromis' met de politiek en cultureel dominante christen-democratie te sluiten, leidde in sommige democratische landen in het Westen tot herbezinning op de houding die men ten opzichte van religieus en kerkelijk geïnspireerde groeperingen zou kunnen innemen. De staatsgreep in Chili begin jaren zeventig speelde daarbij een rol. Maar Gramsci zelf werd in de communistische partijpublicaties buiten Italië nauwelijks genoemd.

Door de overrompelende ineenstorting van het Sovjetrijk en de toenemende mondialisering van economie en politiek groeit onder marxistisch georiënteerde intellectuelen de belangstelling voor Gramsci weer. Een essentieel aspect in zijn gedachtegoed mag daarom niet uit het oog verloren worden. Het idee over hegemonie moge dan wel meer in overeenstemming zijn met de politieke normen in de Westerse beschaving dan het door recht noch wet gelimiteerde staatsgeweld onder Lenin en Stalin. Maar ook Gramsci wees de liberale democratie in het algemeen, waarin verschillen in opvattingen en belangen zijn aanvaard en de bestuurscultuur berust op compromissen en rechtsgelijkheid, af. Wie de parallel van Gramsci tussen de katholieke kerk en zijn partij doortrekt, ontkomt niet aan de conclusie dat zijn partij de samenleving nog totaler zou beheersen dan hij niet geheel ten onrechte aan het kerkelijk streven toeschrijft. Want Gramsci's intellectuele elite in de communistische partij zou, na de verovering van de hegemonie, niet alleen de politieke maar ook de economische zeggenschap naar zich toetrekken. Met een gesloten samenleving als eindresultaat.

Antonio Gramsci: Selections from the Prison Notebooks. Lawrence & Wishart. ƒ40,90