Verkoop staatsbelang in bedrijven is terecht

De opvatting dat de staat tijdens een recessie een belang in bedrijven moet hebben, is achterhaald, meent Gerd Leers.

Het recent aangekondigde samengaan van Hoogovens en British Steel heeft niet veel losgemaakt in Nederland. Menno Tamminga ziet in zijn artikel `Overheid moet uitverkoop nationale industrie stoppen' (NRC Handelsblad, 11 juni) de verkoop van het staatsbelang in Hoogovens echter als het zoveelste bewijs van een bedrijf dat zijn Nederlandse karakter verliest.

Zijn slotopmerking dat ,,partijen als PvdA en CDA met een lange traditie van economische ordening zonder tekst zitten'' noopt tot een weerwoord. Want het CDA onderstreept juist het belang van een goed doordacht industriebeleid, omdat de huidige verkoopgolf van Nederlandse industriële bedrijven samenvalt met het terugtrekken van de overheid uit de economie.

Er heeft zich een omslag in het denken voltrokken waarbij de economische ordening een sterk neo-liberaal karakter is gaan vertonen. Het overdragen van publieke taken aan de marktsector is een exponent van het ultieme marktdenken van Paars. Het probleem bij dat denken is echter dat geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen publiek en commercieel belang. Bedrijfseconomische en nutsfuncties worden op één hoop geveegd en uitsluitend beoordeeld in termen van winst en efficiency.

Maar ondanks deze terechte verwijten is de benadering van Tamminga te pessimistisch van aard. In de eerste plaats is de directe betrokkenheid van de staat bij industriële bedrijven, zoals Tamminga die voorstaat, niet wenselijk vanuit de behoefte aan een economische verdedigingslinie. Om in tijden van recessie werkgelegenheid te behouden of bedrijfssaneringen te voorkomen, moet de staat volgens Tamminga een eigen belang in bedrijven houden. Een dergelijke opvatting is achterhaald en weinig realistisch. Het mondiale karakter van onze economie maakt dit ook niet mogelijk. Het ideaalbeeld van het hebben van een complete, geïntegreerde economie om in tijden van nood `autarkisch' te kunnen opereren bestaat allang niet meer.

Ook gooit Tamminga bedrijven teveel op één hoop. Naast het staatsbelang bij bedrijven als Hoogovens, Nedcar of KLM, is de overheid betrokken bij of zelfs 100 procent eigenaar van bedrijven in de nutssector of het openbaar vervoer – bedrijven waar het in de eerste plaats niet gaat om het maken van winst, maar waar kwaliteit, toegankelijkheid, beschikbaarheid en prijs voorop behoren te staan.

Het onderscheid tussen `economische' en `publieke' bedrijven, moet daarom bepalend zijn voor de keuze tussen wel of niet privatiseren. Voor het behoud van de staatsbetrokkenheid bij Hoogovens gelden andere maatstaven dan voor het al of niet vervreemden van het belang in de NS. Voor bedrijven in de private sector dient in principe een marktconforme aanpak te worden gevolgd. Een uitzondering op deze regel geldt voor de bedrijven waar een level-playing-field op internationale schaal ontbreekt. Per sector zal bekeken moeten worden of staatsbetrokkenheid toevoegende waarde kan opleveren voor hun bedrijfseconomische positionering.

Door het overheersende marktdenken van Paars is het grensvlak tussen publiek en privaat belang echter vervaagd. Natuurlijk is er niets tegen het streven naar een betere bedrijfsvoering binnen de (semi-) publieke sectoren. Het verhogen van de efficiency waarmee omgesprongen wordt met overheidsmiddelen moet worden toegejuicht. Ook kunnen publieke bedrijven nog veel beter inspelen op de snel veranderende voorkeuren van de consument. Bovendien zien we in die gevallen waarbij wel tot privatisering is overgegaan juist een heel andere ontwikkeling. De publieke voorzieningen zijn in rap tempo collectief onteigend en ondergebracht in de markt, die selectief is gaan graaien in het producten- en dienstenassortiment. Met als resultaat dat de consument duurder uit is en geconfronteerd wordt met een beperkter dienstenpakket. De overheid moet via reparatiewetgeving de uit de hand gelopen ontwikkeling herstellen. Om dit te voorkomen zou vooraf scherper moeten worden gemarkeerd wat publiek en privaat is.

Tegenwoordig spelen heel andere elementen in de marktordening een rol, zoals het besef dat er een generiek beleid moet worden gevoerd dat primair gericht is op scholing en op de bevordering van wetenschap en technologie. En dat publiek en privaat het vooral `samen moeten doen', waardoor investeren in vertrouwen op de eerste plaats moet komen. Het zoeken naar nieuwe samenwerkingsvormen (PPS) en het aangaan van wederzijds commitment zoals op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen, zijn nog twee andere, nieuwe vormen van modern industriebeleid. Tegelijkertijd heeft de overheid ook een bredere verantwoordelijkheid. Tegenover het bevorderen van marktwerking en de verdergaande deregulering – wat op zich genomen een krachtige impuls verdient – moet continu worden afgewogen wat de maatschappelijke gevolgen daarvan zijn. Ook mag van de overheid een extra inzet worden verwacht op het terrein van de versterking van de infrastructuur. Dit zijn bij uitstek de nieuwe instrumenten voor het mobiliseren van ons nationaal belang. Veel meer nog dan het nemen of behouden van een staatsbelang in een willekeurig bedrijf.

Juist op deze terreinen geeft het kabinet niet thuis. Zo heeft in de afgelopen 5 jaar onder Paars het ministerie van Economische Zaken, honderden miljoenen guldens bezuinigd op innovatie en ontwikkelingsinstrumenten. Van een minister als Jorritsma, mag worden verwacht dat zij de synthese tussen de `maak-industrie' en de distributiekwaliteiten van ons land zou weten te bewerkstelligen. Een slimme koppeling tussen de historische en geografische kwaliteiten van ons land met de kennis en know-how omtrent het maken en vervoeren van producten ontbreekt op dit moment nog geheel bij Paars.

Dit ontbreken van een visie maakt de behoefte aan een `nuts- en noodzaak'-discussie urgent. Het in buitenlandse handen overgaan van Nederlandse bedrijven zonder publieke functie is op zich genomen niet erg. Per saldo groeit het aandeel bedrijven in Nederlandse handen immers zelfs. Maar het wordt wel dramatisch als de nu op gang zijnde verkoop van bedrijven het gevolg is van een gebrek aan visie, zoals bij de nutssector. Dan is het geen `uitverkoop' meer maar een faillissementsverkoop.

Gerd Leers is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de CDA-fractie.