Verdediger van het volk

DEFENSOR DEL PUEBLO, verdediger van het volk, is de Spaanse term voor ombudsman. De scheidende nationale ombudsman Oosting heeft deze uitdrukking aangehaald om het publieke belang van zijn functie te verduidelijken. De instelling van een volkstribuun is in Nederland overigens niet van een leien dakje gegaan. Het heeft tot 1982 geduurd voordat Nederland er één had en sindsdien zien overheidsdiensten de ombudsman maar al te vaak als ,,nationale pottenkijker'', zoals indertijd minister Ien Dales het eerlijk heeft genoemd. ,,Het algemene leereffect van een bureaucratische organisatie is beperkt'', voegde zij daar voor de goede orde aan toe.

Dat werd er niet beter op onder de eerste ombudsman, professor Rang, die de opvatting huldigde dat hij een ,,personalistisch ambt'' bekleedde. Het werk van Rang werd vooral gekleurd door zijn ,,persoonlijke visie en ervaringen'' en hij aarzelde niet om aan levens- en maatschappijbeschouwing een uiterst belangrijke plaats te geven in zijn ambtsvervulling.

Zijn opvolger Oosting moet niets hebben van ,,sterrenwichelarij'', zoals hij het eens noemde. Hij is de grote thema's in het openbaar bestuur niet helemaal uit de weg gegaan. Zo gaf een rapport over een chemisch bedrijf in de Eemsmond tien jaar geleden de stoot tot een broodnodige discussie over het gedogen als nationale bezweringsformule. Bepalend voor het instituut van de ombudsman zoals dat door Oosting is vormgegeven, is toch vooral een vrij technisch-juridische inkleuring. Hij heeft respect afgedwongen met degelijke en uitvoerige rapporten, maar die willen wel eens vervreemdend werken.

De vertaalslag van quasi-rechterlijk oordeel naar politiek-bestuurlijke besluitvorming is niet eenvoudig. De ombudsman is ,,niet een veredeld adviesbureau'', om Dales nog eens aan te halen. Verdediging van het volk is méér dan verdediging van de burger. De grote opgave van de komende periode is de lijnen van incidenteel naar structureel duidelijker te trekken. De nationale ombudsman heeft een ,,bijzondere relatie'' met het parlement, zoals Oosting het noemt. Deze kan beter worden benut.

VOOR DEZE TAAK is nu oud-minister van Justitie Sorgdrager voorgedragen. Haar kandidatuur is omstreden. Het verwijt van een politieke benoeming sluit op zichzelf haar geschiktheid niet uit; politieke kleur speelt een rol bij allerlei aanstellingen op hoge posten. Hoewel iemand die volop actief in de politiek is geweest wel weer een geval apart is. Moeilijker ligt het bezwaar dat haar voormalige werkterrein geregeld het doelwit is van de ombudsman. Het is een goede gewoonte dat afgetreden bewindslieden publieke afstand bewaren tot hun oude verantwoordelijkheid. Maar dit bezwaar neemt met het verlopen van de tijd vanzelf af en betreft slechts een deelgebied van het ombudswerk.

Het echte bezwaar is het ministerschap van Sorgdrager, dat zich van kwestie tot kwestie heeft voortgesleept. Doorzettingsvermogen valt haar niet te ontzeggen. Maar de vraag is gerechtvaardigd of uitgerekend dit ministerschap de basis vormt voor de sterke kandidatuur die de verdediger van het volk verdient.