Trou moet blijcken

Wie weet wie Willem Hessels is? Als je de stem des volks moet geloven, vallen dichters altijd al tussen wal en schip, maar sommige dichters vallen wel erg tussen wal en schip. Wie weet waar Willem Hessels woont?

Toch was hij een dichter.

Ik citeer uit de Encyclopedie van de wereldliteratuur van C. Buddingh': `Hessels, Willem (pseud. van Hendrik Adriaan Mulder, Zaamslag 1906 - Grahamstad 3-5-1949), Ned. dichter, studeerde letteren aan de Vrije Universiteit te A'dam en vertrok in 1934 om gezondheidsredenen naar Z. Afrika, waar hij in 1946 senior lector Nederlands aan het Rhodes-college te Grahamstad werd. Hij behoorde een tijdlang tot de kring der Jong Protestanten en stichtte in 1946 met J. Greshoff, N.P. van Wyk Louw en W.E.G. Louw het tijdschrift Standpunte. Door zijn lange verblijf buiten ons land verwierf zijn zuivere, melancholieke poëzie niet de waardering waar zij recht op had.' Dat was 1954.

De rechtvaardigheid heeft W. Hessels nooit bereikt. Namen van dichters als J.W.F. Werumeus Buning en H.W.J.M. Keuls, hoe voor eeuwig ongelezen ook, klinken de gemiddelde poëzieliefhebber bekender in de oren.

Het zal door de oorlog komen. Door de poëtische vernieuwingen. Door het afschaffen van een eigen protestantse poëzie. Door het plaatsen van een ijzeren gordijn om alles wat er zelfs maar van werd verdacht naast iets Zuid-Afrikaans te hebben gelegen. Maar volgens C. Buddingh' toch vooral `door zijn lange verblijf buiten ons land'.

Nu is vijftien jaar – van 1934 tot 1949 – welbeschouwd niet zó lang, helemaal niet als je bedenkt dat de Nederlanders vijf jaren van die periode met verduisterde ramen doorbrachten en nog eens tien met verduisterde hersens, wat nauwelijks bevorderlijk mag heten voor het waarnemen, laat staan erkennen, van welke poëzie ook.

Wél lijkt het me aannemelijk dat W. Hessels door zijn verblijf in het buitenland onbekend is gebleven. Geen poëzieliefhebber kan een dichter waarderen die er niet is. Willem Hessels hoorde niet bij de Nederlandse literatuur, hij hoorde niet bij de Zuid-Afrikaanse literatuur, wat er op neerkwam dat hij bij geen enkele literatuur hoorde. Als Nederlands dichter stond hij bekend onder de naam W. Hessels. Als Zuid-Afrikaans poëziecriticus stond hij bekend onder de naam H.A. Mulder. Wat er op neerkwam dat hij helemaal niet bekendstond.

Moeten we een dichter die actief deel ging uitmaken van een andere literatuur, en wiens verzamelde gedichten (onder de titel Con sordino) bijna op de dag van zijn dood in dat andere land verschenen (Constantia, Johannesburg, 1949) opnemen in een bloemlezing uit de Nederlandse poëzie? Kunnen we een dichter die dichtte en bleef dichten in de Nederlandse taal opnemen in een bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie? Het komt er op neer dat hij in geen enkele bloemlezing wordt opgenomen.

Een dichter die in twee landen leeft kan spoorloos verdwijnen.

Hij hoort per definitie tot de onaangepasten, tot de schemertypes, tot de `tussenlanders'.

't Lijkt me trouwens – met vliegvakanties, prijsoorlogen in de reiswereld, tv-satellieten en modems – een type dat niet meer bestaat.

In 1949 bestond het nog wel. En in 1954. De geprefabriceerde categorieën waarin dichters ondergebracht moeten worden hebben helaas geen gelijke tred gehouden met de jongste ontwikkelingen, zodat Willem Hessels gedoemd is te blijven wat hij was.

Het gedicht Afrikaans landschap spreekt er van, van die gekmakende verscheurdheid. In niet meer dan acht schrijnende regels. Ik beweer vanzelf niet dat dit gedicht geheel en al samenvalt met de persoon. Als een gedicht geheel en al zou samenvallen met een persoon, zou een gedicht ook z'n neus kunnen snuiten of z'n veters dichtknopen. De andere kant van de medaille werd door W. Hessels evenzeer belicht –

Des nachts had ik dit wonderlijk gezicht:

hoe ik, thuis zijnde, weer naar hier verlangde,

de bergen in een oceaan van licht,

de bomen zwart daarin met scherpe randen

– heet het in het gedicht Twee landen. Een verlangen andersom, in tegengestelde richting. In Afrikaans landschap zijn het overstromende licht en de scherpe randen juist bedreigend. De dichter droomt niet, hij is klaarwakker en kijkt naar een nachtmerrie.

,,'n Huurkoets of handkar rammel oor die keie, sukkel deur die modder, die vlam van die olielamp walm op, die smeulende turfvuur flakker vir 'n oomblik op, en belig kortstondig die geheimsinnige donker van die verlede'', zo beschrijft Karel Schoeman in zijn pas verschenen `dubbelbiografie' Merksteen het beeld dat voor zijn geestesoog verschijnt zodra hij aan het verre, verregende Nederland van de negentiende eeuw denkt. Een beeld van dikke nevel en lage luchten, waar alles wordt verdoezeld, waar alles zijn angel kwijtraakt. Het helpt ons om te bedenken hoe licht en concreet Afrika is, hoezeer het landschap daar `niets te raden overlaat'.

Het komt de dichter W. Hessels in een opwelling zo wezensvreemd (`zonder hartsverwantschap') en irreëel voor, dat hij vreest dat het maar een decor is dat elk moment kan worden opgehaald.

Wat bevindt zich achter het decor? De genadeloze helderheid en de ondubbelzinnige contrasten van Afrika fungeren duidelijk als aanjagers van zijn doodsangst. Of van zijn verkapte doodsverlangen, wie zal het zeggen.

Het Afrikaanse landschap wordt zo een metafoor voor het onvermijdelijke leven. Wat de dichter aanziet voor een spookbeeld dat hij eventueel van zich af kan schudden is in feite de eeuwigheid die tussen het ophalen en het neerlaten van het toneeldoek – tussen Bloems twee stilten waar het even luid is geweest – in ons leven heeft gekeken.