Ruzie rond medisch centrum Klokkenberg krijgt juridisch vervolg

De problemen rond het nu gesloten medisch centrum De Klokkenberg zijn nog niet voorbij. Een adviseur moet zich verantwoorden voor zijn declaraties.

De opheffing van het medisch centrum De Klokkenberg in Breda, waartoe minister Borst (Volksgezondheid) in december besloot, heeft voor de Arnhemse advocaat en hoogleraar prof.mr. J.A.H.M. Hubben een staartje gekregen. De Raad van discipline, de tuchtinstantie van de Orde van advocaten, buigt zich over een klacht die oud-directeur dr. G.M.H. Tanke van De Klokkenberg tegen adviseur Hubben van de medische instelling heeft ingediend.

Hubben doceert gezondheidsrecht aan de Nijmeegse Universiteit en is daarnaast verbonden aan het Arnhemse bureau Nysingh advocaten. Binnen de gezondheidszorg geldt hij als gezaghebbend.

Volgens Tanke heeft Hubben onder meer een verslag opgesteld van een niet gehouden vergadering, geweigerd zijn declaraties (in anderhalf jaar tijd zeker zo'n 600.000 gulden) toe te lichten en conflicterende partijen gediend – waarmee hij de erecode van de Orde heeft geschonden. Hubben ontkent alle aantijgingen.

De Klokkenberg heeft tot zijn opheffing decennialang gekampt met (bestuurlijke) problemen. Tanke, die er op 1 januari 1994 algemeen directeur werd, merkte al spoedig dat het moeilijk werken was met de grootste van de vijf klinieken van het centrum: de hartkliniek. Daar bestond in de medische staf al geruime tijd verdeeldheid en was de verhouding tussen staf en bestuur gespannen.

De al ongemakkelijke verhouding escaleerde in 1995 tot een openlijk conflict toen bleek dat tijdens een operatie een fatale fout was gemaakt. Een deel van de staf wilde het voorval verzwijgen, de rest wilde net als Tanke zoveel mogelijk open kaart spelen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg kwam eraan te pas en constateerde dat er in de kliniek veel niet goed was. De staf verweet Tanke de zaak onjuist te hebben afgehandeld en zegde het vertrouwen in hem op.

Eerder al (eind 1995) had Tanke Hubben ingeschakeld om hem te helpen bij het oplossen van de problemen met de specialisten. Volgens Tanke ging het in de loop van 1996 mis toen Hubben weigerde op aandringen van Tanke zijn declaraties te specificeren (aanvankelijk zo'n 70.000 gulden per maand). Hubbens advocaat Quant: ,,Hubben ontkent met name ooit teveel gedeclareerd te hebben, onnodige kosten gemaakt te hebben of uit te zijn geweest op financieel gewin.' Hubben was zelfs `coulant' voor De Klokkenberg. Hij bracht het uurtarief van 426 gulden omlaag tot 400 gulden toen hij `een enorme hoeveelheid tijd' in het medisch centrum ging steken. En dat zijn volgens Quant ,,bedragen die, gezien de kwalificaties van Hubben, eerder laag dan hoog zijn op de schaal van wat gebruikelijk is onder soortgelijke omstandigheden'.

De vraag van Tanke om verantwoording van de declaraties werd overigens niet alleen ingegeven door diens bezorgdheid over de besteding van publiek geld. In toenemende mate was Hubben tot ongenoegen van Tanke gaan leunen op de Raad van toezicht, een college dat naar de mening van Hubben de jure en de facto het hoogste bestuurscollege van De Klokkenberg was – en dus de gewone dagelijkse bestuurlijke werkzaamheden zou kunnen verrichten.

Voor Hubben was het vanzelfsprekend om van de Raad van toezicht opdrachten te aanvaarden, ook al hadden die betrekking op de dagelijkse gang van zaken in De Klokkenberg. Volgens de statuten van De Klokkenberg is, zoals Tanke benadrukt, de algemeen directeur weliswaar verantwoording schuldig aan de Raad van toezicht (die hem benoemt en ontslaat) maar is het bestuur van de medische instelling aan hem opgedragen.

Hubben had ten opzichte van de Raad een sterke positie: de Raad had langzamerhand het karakter van een duiventil gekregen. Niet alleen telde de Raad al sinds begin 1997 niet meer de vereiste vijf leden, hij `versleet' in ruim één jaar vier voorzitters. Bij de benoeming van een van hen ging Hubben volgens Tanke in de fout. Beoogd voorzitter J. Barendregt bleek in januari 1997 ouder dan 65 jaar en volgens de statuten van De Klokkenberg daarmee te oud voor een plaats in de Raad van toezicht. Statutenwijziging was volgens Hubben de voor hand liggende oplossing: daartoe besloot de toen uit nog maar twee leden bestaande Raad van toezicht op 10 januari 1997. Er is althans een door Hubben opgesteld `verslag inzake overleg binnen de raad op 10 januari 1997'.

Maar op 10 januari vergaderden de twee leden van de Raad helemaal niet. ,,Ik heb de gehele week door familieomstandigheden geen contact gehad met enig lid van de Raad van toezicht noch met Hubben', schrijft de toenmalige voorzitter A.A.M. Gulden. Pas op 12 januari heeft hij telefonisch contact met zijn mederaadslid J. Vermunt.

Het was volgens Gulden `een informeel gesprek' waarin onder meer aan de orde kwam dat de statuten gewijzigd zouden moeten worden om Barendregt te kunnen benoemen. Maar voegt Gulden er aan toe: ,,In dit informele gesprek zijn zeker geen besluiten genomen'. En zo'n besluit is statutair noodzakelijk voor het bijeenroepen van een vergadering tot wijziging van die statuten.

Niettemin gaat Hubben met de statutenwijziging aan de slag. Op 24 januari zit de Raad dan bij de notaris voor de statutenwijziging waartoe wordt besloten in de vergadering bij diezelfde notaris. Een echte vergadering is het niet: daags voor het bezoek aan de notaris stapt ook Gulden uit de Raad van toezicht en is het Vermunt als laatste lid dat keurig de agenda afhandelt en waarschijnlijk zonder veel discussie besluit tot de statutenwijziging.

Anders dan Tanke meent, heeft Hubben geen valse verklaring over de (niet gehouden) vergadering opgesteld, aldus Quant in het weerwoord. ,,Hubben heeft zijn opdracht om een en ander te regelen volkomen correct uitgevoerd. Het desbetreffende besluit van 10 januari 1997 kon buiten vergadering worden genomen door de twee zittende leden. Hubben besprak een en ander met Vermunt en Vermunt zegde toe een en ander te bespreken met Gulden. Later op de dag kwam Vermunt er bij Hubben op terug en deelde mede dat het overleg had plaatsgevonden en het akkoord was', zo schrijft Quant als reactie op de beschuldiging van Tanke.

Al met al is Quant van mening dat `Hubben volkomen correct handelde'. Hij voegt er aan toe dat dit misschien voor Tanke niet plezierig was (Tanke werd op 1 juni 1997 door de kort daarop zelf ook weer vertrekkende Barendregt op non-actief gesteld – met de afspraak dat Tanke formeel tot 1 juli 1999 in dienst van De Klokkenberg blijft), maar dat maakt Hubbens handelen `niet laakbaar'. Hubben handelde volgens Quant ,,volstrekt doorzichtig, recht door zee, in opdracht van het bevoegde orgaan van De Klokkenberg.'

En eigenlijk vindt Quant dat de Raad van discipline zich niet met de klachten van Tanke zou moeten bezig houden: Aan de advocaat komt immers een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. En volgens Quant – en dus Hubben – is dat kennelijk de Raad van toezicht en daarmee de Klokkenberg. Daarom kan de uitspraak van de Raad van discipline behalve over de concrete klachten van Tanke ook wat helderheid geven over de relatie tussen bestuur en toezicht in het ziekenhuis. Die uitspraak wordt dezer dagen verwacht.

Rectificatie

Klokkenberg

In het artikel Ruzie rond medisch centrum Klokkenberg krijgt juridisch vervolg (in de krant van donderdag 17 juni, pagina 10) stond dat in 1995 het conflict escaleerde doordat een deel van de medische staf een tijdens een operatie gemaakte fout wilde verzwijgen. Dit is onjuist. De medische staf wilde het voorval niet verzwijgen, maar was het oneens met de manier waarop de toenmalige directeur dr. G.M.H. Tanke het in de publiciteit behandelde.

Rectificatie dd 30-06-1999:

In het artikel Ruzie rond medisch centrum Klokkenberg krijgt juridisch vervolg

(in de krant van donderdag 17 juni, pagina 10) is ten onrechte niet vermeld

dat dit is gebaseerd op de processtukken zoals deze zijn gewisseld voor de

Raad van discipline van de Orde van advocaten. Zowel de omschrijving van de

klacht van dr. G.M.H. Tanke als de reactie en citaten van prof.mr. J.H.A.M.

Hubben en diens advocaat prof.mr. L.H.A.J.M Quant in het artikel zijn aan

die documenten ontleend.