Overal liggen plots die damestasjes

Verstilling en kaarslicht, het zijn niet de allereerste woorden waaraan we denken bij het festival voor locatietheater Oerol. Een stuntman die zich Hendrick-Jan noemt en zich ophoudt in het Koreabos, ja zoiets klopt, of Het boerendrama in een schuur waar Heidi en Peter dromen over een leven dat het vuil en de zorgen van een boerderij ontstijgt, ook dit verwachten we. Het verlangen van de eeuwig bemodderde boerenzoon Peter reikt verder dan Midsland: Frankrijk, daar moet hij heen, weg van het Wad.

Kaarslicht brandt elke middag in het gehucht Hoorn, waar een Crypte der herinnering is gebouwd. Een duistere ruimte, verscholen in het bos, biedt plaats aan een kleine tweehonderd kistjes, gemaakt door alle leerlingen van Terschelling tussen negen en twaalf. Ze mochten een voorwerp uitzoeken dat hun `relikwie' is, iets dat ze over vijftien jaar nog steeds zouden koesteren. Het levert een verrassende ontdekkingsreis op, ontroerend ook, langs foto's van dierbare huisdieren, vrienden of vriendinnen, grootouders en ouders – vaak in die volgorde. En de Terschellinger jeugd houdt van schelpen, uit alle windstreken worden ze verzameld. Oerol is geen samenraapsel van evenementen. Elke kunstenaar, en dus ook deze kinderen, moeten zich dit jaar buigen over vergankelijkheid en alles wat alsmaar voorbijgaat. `Voetsporen in het zand,' is het leidmotief, stappen weldra door de zee uitgewist. De kinderen tonen hun eigen dierbaarste voetspoor, voordat ook dat verdwenen zou zijn.

's Avonds, rond zonsondergang, verzamelen duizenden mensen zich bij voorstellingen als Peer Gynt, Le Point de vue van het Franse gezelschap Zur, of bij Zep, de jongens van de theaterversie van Trainspotting. Namen als van andere planeten. Het oog transformeert zich tot vlindernet: het ziet iets mooi-dwarrelends, oplichtends, en vangt dat. Ik had die ervaring bij het gezelschap Warner & Consorten met Doing doing. Over het spiegelgladde duinmeer van Hee komen figuren aangefietst op toestellen die ontworpen konden zijn door Tingueley. Ze spelen droeve saxofoonmuziek. Een optocht van slag-, strijk- en blaasinstrumenten voert door het bos. Ergens is een geheimzinnige toverplek: vrouwen, getooid met damestasjes, zagen doodernstig het hoofd van een man uit de grond. Ineens verschijnen, hoog op het duin, drie witte gestalten met wapperende doeken. Beelden uit een film, lichtgevende nachtvlinders uit een andere wereld. De broosheid mag niet lang duren, vanaf beneden schiet een middeleeuwse katapult naar de figuren met, alweer, de befaamde damestasjes. De gestalten op het duin doven. Ik kijk om me heen: overal verspreid liggen opeens damestastjes. Er klinkt muziek uit, een lampje brandt erin, het lijkt de buit van tasjesdieven.

Niemand vraagt naar de betekenis. Elke toeschouwer heeft associaties, met film vooral (Fellini, Bergman). Herinneringen, ze zijn overal. De toeschouwers nemen straks in hun hoofd een doosje mee, zoals de kinderen van het eiland dat maakten, met daarin opgeborgen enkele kostbare beelden.