Iriserend

Je weet pas wat je hebt gemist als het er weer is. Zo fietste ik onlangs voor het eerst sinds jaren met een aanbiddelijk dartele dame achterop van de ene naar de andere kant van de hoofdstad. Een zonnige middag. In mijn hoofd stak een storm op: fietsen langs de zo donders vertrouwde grachten, brug op, brug af, tussen de paaltjes door over de stoep en natuurlijk door rood licht. Alles als vanouds. Zij kwebbelde als twee hyperactieve parkietjes. Ik zweeg en trapte. ,,Pas op de gleuven'', riep ze bij elk kruispunt, ,,weet je de weg wel?''

Na een kwartier vrolijk gekwetter vroeg ik of ze geen boek bij zich had. ,,Goed, dan kijk ik vanaf nu braaf naar de geveltjes.'' Een halve seconde later: ,,Zie je die meeuw daar, let je op de gleuven alsjeblieft?''

's Ochtends had ik in haar atelier haar sculpturen en tekeningen bewonderd, geïnformeerd naar de functie van de drie elektrische waterkokers (,,om was vloeibaar te maken''), het meterslange piepschuimen paard dat diagonaal in de ruimte stond. De bronzen kikkervisjes, de servetringen in de vorm van op omhelzing beluste konijntjes, het oogverkwikkend uitzicht over het IJ, de door haar ontworpen bronzen kandelaars. De enorme bos tulpen, bestemd voor de jarige dichteres die straks het eerste exemplaar van een door ons samen gemaakte bundel met haar eigen gedichten krijgt, werd gewikkeld in door haar op een computer gemaakt pakpapier.

De sensatie van omgekeerd gemis beklijfde, werd zelfs inniger toen we de van genoegen bijna spinnende dichteres verlieten en in café Lusthof nog wat dronken. Ik verklapte de oorzaak van mijn kluizenaarsbestaan in de Achterhoek, bezong de schoonheid van een zonovergoten zandweg, vertelde over de intense tevredenheid die het zoemen van een hommel bij mij veroorzaakt – ,,zo kereltje, ook de winter overleefd?'' – en bejubelde de voordelen van het buitengebied. Stilte. Vogelzang. De geur van vers gemaaid gras, van bloeiende meidoorn. Geen junks en geen lantaarnpalen, geen reclameborden noch neonverlichting, geen auto's en zeker geen trams. Haar iriserende ogen leken vuur te spuwen en ze siste: ,,Trèms, ze heten trèms!''

's Avonds zaten we in zo'n modern onknus restaurant, aten pasta en dronken witte wijn. Tijdens het toetje, één portie met twee vorkjes, werd ik opeens treurig, haar iriserend blauwe ogen werden dof van de hoofdpijn. Even overwoog ik om haar nek te masseren, durfde het niet voor te stellen. Misschien was ze gewoon vermoeid. Eigenlijk durfde ik haar niet langer aan te kijken, bang dat mijn verwarring zichtbaar... Abrupt namen we afscheid. Zij stapte op haar fiets. Ik in de eerste de beste tram – jawel: met de a van alfabet – naar het station en dook onder in een Blijf-van-mijn-Lijfhuis te Zandvoort. Peinzend drentelde ik de volgende dagen langs zee en reciteerde geluidloos K. Schippers' liefdesversje `Jij hebt de dingen niet nodig/ om te kunnen zien// De dingen hebben jou nodig/ om gezien te kunnen worden'.

Zou ze het verschil weten tussen een brand- en een dovenetel? Kun je iemand die je nauwelijks kent al na een dag missen; hoe overbrug je op decente wijze de afstand tussen twee paar blauwe ogen?

Collage van de auteur