Inkomensverdeling is een beetje maakbaar

Werknemers, hun werkgevers, de kapitaalverschaffers van ondernemingen en zelfstandige ondernemers verdienen dit jaar samen zeshonderd miljard gulden. De nationale koek wordt echter ongelijk verdeeld. Honderdduizenden werknemers moeten genoegen nemen met het wettelijk minimumloon van minder dan 2500 gulden bruto per maand, of ze verdienen maar weinig meer. Werkgevers zijn niet bereid deze lager betaalden een hoger loon te bieden, omdat de betrekkelijk geringe bijdrage van de minst gekwalificeerde werkers aan de productie van de onderneming economisch gezien geen hogere beloning rechtvaardigt.

De grote massa van de werknemers verdient tussen anderhalf en vier keer het minimumloon. De meest gewilde arbeidskrachten hebben bij de huidige oplopende spanning op de arbeidsmarkt de banen voor het uitkiezen.Met inbegrip van een lease-auto van de zaak, een onkostenvergoeding en andere extraatjes komen ze al snel op een jaarsalaris van tegen de anderhalve ton bruto. De hoogstbetaalde ambtenaren zitten – met inbegrip van hun arbeidsmarkttoeslag – net boven de twee ton per jaar. De beloning voor het topkader van het bedrijfsleven gaat al rap naar een niveau tussen een half en een heel miljoen gulden. Directieleden van grote ondernemingen hebben een nog hoger salaris, opgetopt met onkosten- en soms uitbundige optieregelingen.

Elke vier werkenden moeten drie uitkeringsontvangers onderhouden. Bijna alle economisch actieven staan daarom een fors deel van hun inkomen af voor de financiering van de sociale zekerheid. Veruit de meeste van de ruim vier miljoen uitkeringen zijn gerelateerd aan het sociaal minimum. Het stelsel van sociale zekerheid legt zo een `vloer' in het inkomensgebouw. De koopkracht van uitkeringsontvangers blijft al twintig jaar steeds verder achter bij die van de economisch actieven. De inkomensongelijkheid in Nederland is vooral in de tweede helft van de jaren tachtig flink toegenomen. Toen bleven de uitkeringen bevroren terwijl lonen en winsten stegen.

Wie oplettend om zich heenkijkt moet het opvallen dat de toegenomen welvaartsverschillen een uitweg zoeken in steeds opzichtiger consumptie. Een groeiende groep vaderlanders biedt tegen elkaar op om met een torenhoge hypotheek de tweekapper van zijn dromen te verwerven. Steeds meer dure auto's scharen zich in de files tussen woon- en werkplek. De bestedingen aan duurzame consumptiegoederen schieten omhoog. De uitbundige consumptie van de economisch actieven onderstreept dat de inkomensverschillen blijven toenemen. Uitkeringsontvangers blijven achter en de groep laag gekwalificeerde arbeidskrachten die blijft hangen op en vlak boven het minimumloon neemt in omvang toe. Een groot deel van de werknemers stijgt daarentegen op naar steeds hoger salarissferen.

Vergelijkbare ontwikkelingen doen zich blijkens onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) ook elders voor. De OESO onderzocht de trend van de inkomensongelijkheid in dertien aangesloten lidstaten – waaronder Nederland – gedurende de afgelopen twintig jaar. Daarbij is gebruik gemaakt van gegevens afkomstig van nationale bureaus voor de statistiek, die zo goed mogelijk onderling vergelijkbaar zijn gemaakt.

De dertig procent van de huishoudens met de hoogste inkomens verdient gemiddeld tussen de 55 procent (Nederland, Duitsland en de Scandinavische landen) en de 60 procent (Australië, Canada, de VS, maar ook België en Italië) van het nationale inkomen. Het aandeel van deze kopgroep in het verdiende inkomen is sinds de jaren zeventig overal toegenomen. De inkomens van de economisch actieven groeien in vrijwel alle industrielanden uit elkaar. Overal verdwijnt laagbetaald werk naar lagelonenlanden.

Via de sociale zekerheid wordt een stuk van het verdiende inkomen van de actieven overgeheveld naar bejaarden en andere uitkeringsontvangers. Door rekening te houden met betaalde belasting en sociale premies, en met door huishoudens ontvangen uitkeringen, komen statistici de verdeling van het beschikbare inkomen op het spoor. Het aandeel van de rijkste dertig procent van de huishoudens in het totale beschikbare inkomen ligt in de meeste OESO-landen tussen de 45 en 50 procent, maar het is iets groter dan de helft in Noord-Amerika. In alle landen blijkt de overheid inkomen te herverdelen, van hoog naar laag. De dertig procent van de rijkste huishoudens verdient immers 55 tot 60 procent van het nationale inkomen maar heeft na belastingheffing en rekening houdend met de sociale zekerheid slechts de beschikking over 45 tot 50 procent van de nationale koek.

Wel is sinds de jaren zeventig in de meeste van de onderzochte dertien landen het aandeel van werkenden en kapitaalverschaffers in het beschikbare inkomen met enkele procentpunten toegenomen. Voor een deel valt dit toe te schrijven aan de invloed van bezuinigingen op de sociale zekerheid en de verlaging van belastingtarieven. Alleen in de Scandinavische landen bleef het aandeel van de rijken in het beschikbare inkomen min of meer constant.

Sociaal-democraten kunnen uit het verrichte cijferwerk een zekere troost putten: de inkomensverhoudingen zijn over een lange periode bezien tot op zekere hoogte wel degelijk `maakbaar'. Neo-liberalen zullen daar tegen aanvoeren dat voor genivelleerde inkomensverhoudingen een prijs moet worden betaald in de vorm van minder economische groei en hogere werkloosheid. Het overtuigende bewijs voor die stelling moet nog worden geleverd.