In de sporen van Brandaan

Scheepswrakken, oudheden, stranden en geen toeristen: de Dingle Way in Ierland is nog mooier dan de boekjes willen doen geloven. Hier, bij de westelijkste bed & breakfast van Europa, ging Brandaan scheep richting Amerika. Deel 5 in een serie over wandelen in Europa.

Over weinig schiereilanden is zoveel goeds beweerd als over Dingle in Zuidwest–Ierland. Dat kon dus alleen maar tegenvallen, dachten ik en zes medewandelaars, terwijl we in een korte colonne huurauto's Ierland door kachelden, van de luchthaven van Dublin naar ons startpunt van The Dingle Way. `Dit landuitsteeksel telt meer oudheden, mooie stranden, opwindende bergen en dramatische landschappen dan menig land als geheel', schrijft Michael Fewer bijvoorbeeld in The Way-marked Trails of Ireland. Dus waren we helemaal klaar voor een flinke anticlimax en hordes toeristen die zich door soortgelijke teksten lieten leiden – tot net voorbij het stadje Tralee. Urenlang hadden we zicht gehad op koeien op begraste heuvels van berm tot einder, een soort gebobbelde, slootloze editie van Nederland – tot de heuvels ineens bergen werden, de koeien rotsen, de vriendelijke wolken kolkend zwerk met hier en daar een verre bui of een flard regenboog of een stralenbundel, terwijl de einder grotendeels werd opgeëist door loodgrijsblauwe golven. Op Dingle regeert de oceaan het weer, het weer het landschap en het landschap de wandelaar.

Een uur later parkeerden we voor Europa's westelijkste bed & breakfast (IJsland niet meegerekend), gevallen voor wat we hadden gezien. Terwijl in de Slea Head Farm een zalm/wortel-schotel gaar werd gestoofd, snelden we nog even langs een lusvormig parcours van enkele kilometers over Dunmore Head, Dingles westelijkste uitsteeksel, met uitzicht op de sinds 1953 onbewoonde Blasket Eilanden, een scheepswrak of twee en een overdosis branding en rotsen, tot de zon licht knetterend in zee zakte.

Ook dreiging twee viel mee: geen toerist te bekennen, althans eind september niet, althans niet op de vijftig kilometer van The Dingle Way die we liepen, van Slea Head naar Cloghane. Officieel liggen start en finish in Tralee en ben je in normaal tempo acht dagen kwijt voor het totaal van 153 kilometer. Nou ja, kwijt – je wint ze juist, verovert ze op de moloch die werk heet, en die een kilometer of duizend richting Siberië op je terugkeer ligt te wachten.

Dingle is een andere wereld. Hoe lang nog weet niemand, maar enig optimisme is gerechtvaardigd zolang de mooiste wegen te smal en te steil zijn voor touringcars. Het enige belangrijke minpunt van Dingle is het tekort aan doorgaande voetpaden, zodat The Dingle Way vaak over asfalt voert. Fewer schrijft doodleuk dat je The Dingle Way ook per auto kunt afleggen, leaving the really juicy bits for walking. Niet doen, geen goed idee. Met die gemotoriseerde Ieren en andere lawaaimakers viel het reuze mee (maar misschien niet in het hoogseizoen) en zolang je niet naar de grond kijkt, zijn de uitzichten vanaf het asfalt minstens zo super als vanaf de zand- en graspaden die er ook veel zijn. Helemaal subliem zijn de zes kilometers over het verlaten, brede strand langs de baai die in het Iers Cuan Ard na Caithne heet. Alsof de rest van de wereld niet bestaat, zo mooi. En goed om je mentaal voor te bereiden op de bestijging van Ierlands één na hoogste berg, Mount Brandon, waar je steeds naartoe wandelt.

De laatste B&B voordat het ineens vrij steil omhoog gaat, staat onder bevel van de allervriendelijkste Mary Beasly. Terwijl wij onze ruggen rechtten, stoof haar zoon naar de pub van Ballinknockane (met roze muren) om goed gekoelde en gevulde flesjes te halen en ging zij aan de slag om ons een perfecte kabeljauw/wortel-schotel te kunnen voorzetten, met rabarbertaart en custard toe en daarna voor iedereen een fikse portie vruchtenlijm. In de keuken zette haar zoon bandjes met Ierse folk in de cassetterecorder en wij genoten onder meer van het besef dat de eerste Europeaan die naar Amerika afreisde, omstreeks 550, nog geen kilometer verder scheep ging. Nou ja, scheep – sint Brandaan verplaatste zich in een soort houten badkuip en deed er dan ook zeven jaar over.

De volgende dag bood de gelijknamige berg een lange klim, maar moeilijk mag die niet heten, zeker niet bij redelijk weer. De top ligt op 952 meter en de route blijft daar nog 300 meter onder. Het echte probleem was het verwerken van zoveel landschappelijke schoonheid. Vanaf het hoogste punt zie je bij helder weer zelfs het verre Skellig, een kleine stijle berg in de golven, een uur buitengaats vanaf de westpunt van het schiereiland Kerry, waar zeer vroege Christenen het zich ongemakkelijk maakten in stenen hutten en zich lekker lieten geselen door de meedogenloze oceaandepressies. Anders gezegd: wie toch in de buurt is, moet beslist even een halve dag uittrekken voor een excursie naar Skellig.

Daarvoor moet je wel eerst de berg Brandaan af en soms graspollen vastgrijpen teneinde de vette klei of wat het ook is niet de reissnelheid te laten bepalen. Maar zelfs bij voorzichtig tempo duurt het leed niet lang. Anderhalf uur na de top loop je tussen schapen en eenzame veenstekerijen, en weer wat later langs An Cheapaigh en Trá Fhormaoileach, die tijdens het nuttigen van Mary's lunchpakket nog zo ver weg leken.