Het liep allemaal anders

Bij de tweejaarlijkse luchtvaartshow op Le Bourget deze week wordt het weer eens pijnlijk duidelijk: de Amerikaanse luchtdefensie-industrie is vele malen machtiger dan de Europese. Dat bleek boven Kosovo de laatste maanden ook al. Heeft de Europese luchtdefensie-industrie eigenlijk nog wel perspectieven?

Tussen de middag wordt het wat minder hectisch in de enorme expositiehallen op het Parijse vliegveld Le Bourget, waar deze week 1762 exposanten deelnemen aan 's werelds grootste luchtvaartshow die hier om de twee jaar plaatsvindt. Dan zoeken velen de luxueuze chalets op aan de rand van het vliegveld. Daar vertonen Franse cateraars voor industriebaronnen, politici, standhouders, klanten en andere bezoekers hun culinaire kunsten, terwijl op het belendende vliegveld de meest geavanceerde vliegtuigen met donderend geraas hùn kunsten laten zien. Soms met minder fortuinlijke afloop, zoals de Russische Soekhoi Su-30 die zaterdag vlak voor het lunchende publiek verongelukte.

Het is duidelijk dat op Le Bourget de oorlog in Kosovo en vooral ook de gevolgen daarvan voor de wapenindustrie centrale gespreksonderwerpen zijn. De zojuist met succes beëindigde luchtcampagne boven de Balkan, waarbij de NAVO Miloševic op de knieën dwong, onderstreept immers het belang van het luchtwapen en van de aangeboden aerospace-producten.

Tegelijk was er met die 78 dagen durende slag boven Kosovo iets vreemds aan de hand. De zegevierende NAVO heeft negentien leden, zeventien Europese landen, Canada en de VS. Kosovo ligt diep in Europa. Toch werd de strijd er goeddeels gevoerd door Amerikanen en nog meer met Amerikaanse producten. In de categorie gevechtsvliegtuigen en lichte bommenwerpers maakten F-15 en F-18 jagers van het Amerikaanse Boeing, alsmede de F-16's en F-117 stealthjagers van Lockheed Martin voor tweederde de dienst uit. Europa was in deze categorie vertegenwoordigd met enkele tientallen Mirage-2000 jagers van het Franse Dassault, Harriers van British Aerospace en Tornado's van het pan-Europese Panavia-consortium.

De zware bommenwerpers die deelnamen waren zelfs exclusief Amerikaans: de B-1 en de aloude B-52 van Boeing en de `vliegende vleugel' B-2 van Northrop-Grumman. Europa heeft geen enkele zware bommenwerper meer. De zware transportvluchten naar de Balkan werden merendeels uitgevoerd door C-17 toestellen van Boeing, en C-130 en C-5 vliegtuigen van Lockheed Martin. De Tomahawk kruisraketten kwamen van Raytheon en het gros van de precisiebommen kwam eveneens uit Amerikaanse militaire koker.

Vanwaar deze spectaculaire onbalans tussen de VS en Europa? Beide continenten hebben vergelijkbare inwoneraantallen en inkomenscijfers. Aan de kennisbasis kan het evenmin liggen. Per slot van rekening kwamen de eerste computer, de eerste langereafstandsraket (V2), de eerste straaljager (Messerschmidt), het eerste straalverkeersvliegtuig (Comet) en het eerste supersonische verkeersvliegtuig (Concorde) allemaal uit Europa. En waar de Europeanen erin slaagden goed samen te werken, zoals in Airbus, blijken de resultaten beslist om over naar huis te schrijven.

Europa's militaire onvermogen, dat in Kosovo weer eens onbarmhartig aan het licht kwam, heeft voor de hand liggende oorzaken. Spendeerden de VS vorig jaar volgens NAVO-cijfers 269,8 miljard dollar aan defensie, Europa (plus Turkije maar minus drie nieuwe Oost-Europese leden) 174,1 miljard, ruim eenderde minder. En wat waarschijnlijk nog belangrijker is: het Amerikaanse geld gaat naar één grote militaire organisatie met één coherente strategie. Het Europese defensiegeld wordt verdeeld over vele militaire apparaten uitgerust met variabele strategische concepten. De overlapping, duplicering en verkwisting zijn daarom enorm in Europa's militaire contreien. Een zegsman van het Pentagon schatte onlangs dat Europa's effectieve militaire koopkracht daardoor wordt verminderd tot minder dan een kwart van de Amerikaanse.

Ook dàt is deze week volop zichtbaar tijdens de internationale luchtvaartshow op Le Bourget. Luchtmachtbazen op zoek naar nieuwe speeltjes kunnen er kiezen uit niet minder dan drie nieuwe en apart ontwikkelde Europese straaljagers die elke middag met veel lawaai en vertoon van luchtacrobatiek worden getoond: de Franse Rafale van Dassault, de Zweedse Gripen van Saab en de Eurofighter van een Brits / Duits /

Spaans / Italiaans consortium. Zij moeten opboksen tegen de F-18 van Boeing, en tegen de marktmacht van Lockheed Martin met zijn F-16 waarvan er al 4000 rondvliegen en die in zijn laatste versie vrijwel gelijkwaardig is aan de Europese jagers. Bovendien zijn de nieuwe Amerikaanse jagers in ontwikkeling – de F22 en de Joint Strike Fighter – de hele Euro-competitie technisch vooruit.

Tijdens de vorige show op Le Bourget in 1997 – toen het Europese onvermogen in Bosnië nog vers in het geheugen lag – was er al een wijdverbreide opvatting dat er snel wat moest gebeuren aan de groeiende Amerikaans-Europese onbalans op militair gebied. Temeer daar de Amerikaanse defensie-industrie toen juist een ingrijpende sanering achter de rug had waarbij het aantal spelers werd gereduceerd van meer dan twintig naar vijf krachtpatsers, te weten Lockheed Martin, Boeing, Northrop-Grumman, Raytheon en General Dynamics. De eerste vier vormden toen tevens de eerste vier militaire producenten van de wereld.

Geconfronteerd met zo'n overmacht had Europa natuurlijk de handdoek in de ring kunnen gooien en zich voortaan tevreden kunnen stellen met gunstig geprijsde Amerikaanse massaproducten (zoals kleinere Europese landen al steeds meer doen). Daar doelde Mike Sears, president van Boeings militaire divisie, ongetwijfeld op toen hij zondag tijdens een persconferentie op Le Bourget een overzicht gaf van zijn inderdaad moeilijk te evenaren palet van huidige en toekomstige producten. Maar dat zou Europa's soevereiniteit op de tocht zetten en een einde kunnen maken aan elk onafhankelijk Europees optreden elders. Dat Washington in 1956 de Frans-Britse actie tegen Egypte blokkeerde, is in de grotere Europese hoofdsteden niet vergeten.

Bovendien blijkt de defensie-industrie een vitale bron van hoogwaardige werkgelegenheid en technologische vooruitgang. Neem Internet, dat ooit begon in het Amerikaanse leger, of de opkomst van wereldomspannende netwerken van communicatiesatellieten als Iridium of Teledesic die technisch sterk leunen op `star wars'. Of zie Boeings aloude jumbo B-747 die met zijn grote neus ooit werd ontworpen als militair vrachtvliegtuig. Het ontwerp werd destijds geklopt door Lockheeds C-5 Galaxy maar keerde vervolgens in aangepaste 747-vorm en met groot succes terug in de burgerluchtvaart.

Om in de 21ste eeuw een volwassen Europese defensieproductie te garanderen kwamen de Europeanen in 1997 met een ambitieus plan: de oprichting van een geïntegreerde European Aerospace and Defense Company of EADC, die het met succes zou kunnen opnemen tegen de Amerikaanse defensiereuzen. Allereerst was het de bedoeling dat het succesvolle Airbusconsortium – waarin Aerospatiale, het Duitse Dasa, British Aerospace en het Spaanse Casa succesvol maar in een los verband samenwerken – zou worden hervormd tot een normale particuliere en beursgenoteerde onderneming.

Vervolgens moesten daar dan de militaire activiteiten van dezelfde partners in worden geschoven. Het liep allemaal anders dan gepland.

Allereerst stagneerde de hervorming van Airbus door gehakketak over de taxatie van de in te brengen bezittingen van de partners. Vooral de Fransen hadden met hun eeuwige colbertistisch-etatistische reflexen moeite met de benodigde privatisering van hun trotse staatsbedrijf Aerospatiale. Toen deze obstructie dreigde te leiden tot een in Parijs gevreesde fusie tussen Dasa en British Aerospace bedachten de Fransen medio vorig jaar een tegenzet. Dat werd een fusie tussen Aerospatiale en de eveneens Franse defensieproducent Matra. En passant werd Aerospatiale door de regering-Jospin met veel pijn in het hart voor 52,3 procent geprivatiseerd. Dat bezorgde de Fransen een adempauze, al vonden Britten en Duitsers die 52,3 procent veel te weinig.

Waarna er opnieuw uitzicht kwam op een fusie Dasa-British Aerospace. Maar op het moment suprême, afgelopen januari, volgden de Britten tot razernij van Dasa eveneens hun nationalistische impuls: zij kozen na maanden van goed overleg met de Duitsers volstrekt onverwachts voor een fusie met Marconi, de grote militaire vleugel van het Britse General Electric. Daarmee werd British Aerospace-Marconi op slag na Lockheed-Martin de tweede defensiefabrikant ter wereld. De Fransen waren erg opgelucht over het verdwijnen van het Brits-Duitse coalitiegevaar. Maar feit was wel dat de beoogde pan-Europese militair-civiele EADC nu voorlopig van de baan is.

Een dag voor het begin van de nu lopende show op Le Bourget sloegen de gedesillusioneerde Duitsers een beetje terug door de Spaanse branchegenoot Casa over te nemen. Hoewel Casa met een jaaromzet van ongeveer anderhalf miljard dollar een kleinere speler is, betekent dat voor Dasa letterlijk enige winst op punten. De combinatie Dasa/Casa wordt namelijk zowel in Airbus (42,1 procent) als in het Eurofighterproject (44 procent) de grootste speler. Wat geen wereldschokkende effecten heeft maar toch leuk is meegenomen.

Wat kan er nu op korte termijn verder worden verwacht van de nog immer noodzakelijke consolidatie van de Europese aerospace-industrie? Een van de weinige nog beschikbare partners in Europa is het Italiaanse Finmeccanica. Naar verluidt maken op Le Bourget zowel Britten als Fransen de Italianen nadrukkelijk het hof. Vooral British Aerospace-Marconi is gebeten op deze deal. Hun samengaan met Finmeccanica zou immers 's werelds op één na grootste rakettenproducent – na het Amerikaanse Raytheon-Hughes – opleveren.

En verder? Vermoedelijk willen de grote Europese defensiefabrikanten nu een beetje rust in de tent om hun recente overnames te kunnen verteren. Tegelijk valt op dat Europa's defensiebaronnen hun aandacht meer naar de VS verschuiven. Wat ook het feit weerspiegelt dat de geprivatiserde Europese defensiebedrijven gaandeweg worden geleid door moderne managers die meer op aandeelhouders letten dan op patriottische slogans.

Zo neemt British Aerospace al voor 300 miljoen dollar deel in Lockheed Martins megaproject voor de ontwikkeling van een Joint Strike Fighter voor de 21ste eeuw. Ook Nederland is daar op kleinere schaal – voor zo'n 150 miljoen gulden – bij betrokken. Lockheed Martin praat verder met Airbus over enkele projecten zoals de bouw van een snel waarnemings- en controlesysteem aan boord van een Airbus A-319. Airbus en het Amerikaanse Raytheon maakten gisteren op Le Bourget een akkoord bekend om samen een nieuw tankervliegtuig te ontwikkelen op basis van een Airbus A-310 toestel.

Verder is Raytheon naar verluidt in gesprek over samenwerking of zelfs fusie met het Franse Thomson-CSF, het moederbedrijf van Signaal in Hengelo, dat temidden van het fusiegeweld in Europa wat op een muurbloem gaat lijken. Veelzeggend ook was zondag het ongeplande vertrek van Dasa-president Manfred Bischoff van Le Bourget naar de VS. Hij zegde zelfs een geplande persconferentie af. Bekend is dat de Duitsers azen op Northrop-Grumman dat vorig jaar van het Pentagon niet mocht worden overgenomen door Lockheed maar formeel nog steeds te koop staat.

Bischoff denkt ongetwijfeld dat zijn Dasa als volle dochter van DaimlerChrysler in de VS een streepje voor heeft. Toch kijken Amerikaanse patriotten in Pentagon en Congres uit zorg over het eventueel weglekken van Amerikaanse defensiegeheimen naar het buitenland met grote argwaan naar een gelijkwaardig transatlantisch samengaan op militair-industrieel terrein. Zij zullen zoiets vrijwel zeker proberen te verhinderen. Dus zal de Europese defensie-industrie vooral op eigen kracht moeten overleven.

De kansen daarop lijken zeker aanwezig. Het consolidatieproces in de Europese defensie-industrie is, met hoeveel vallen en opstaan dan ook, begonnen en weldra komen enkele megaprojecten op stoom zoals de seriebouw van de Eurofighter waarmee tientallen miljarden euro gemoeid zijn. Bovendien zegt Europa na de ervaringen in Kosovo militair minder zwaar op de VS te willen leunen. Vorige week nog besloten Europese leiders in Keulen om hun buitenlandse en defensiebeleid te coördineren in een nieuw lichaam dat wordt geleid door Javier Solana, tot nu toe secretaris-generaal van de NAVO. En dat betekent – zo hoopt menig standhouder op Le Bourget – meer militaire uitgaven.