Geen honger, wel te weinig sigaretten

Twee vluchtelingen, 209518 en 209519, keren terug naar hun ouderlijk huis in Kosovo na een verblijf in een vluchtelingenkamp in Macedonië.

,,Djalim, djalim.'' Na tweeëneenhalve maand kan Mevlide Hamiti haar achttienjarige zoon Arben weer in haar armen sluiten. Ook zijn vader Rexhep roept ,,mijn jongen, mijn jongen'' en omhelst zijn zoon innig.

Met zijn vriend Blerim Seleimi keerde Arben gisteren terug in zijn ouderlijk huis in de plaats Urosevac; een plaats in het zuiden van Kosovo op ongeveer dertig kilometer van de grens met Macedonië. Toen de NAVO-bombardementen begonnen, zijn de twee jongens gevlucht naar Macedonië; toen ze hoorden van de vrede hebben ze direct het vluchtelingenkamp Cegrane verlaten. In de woonkamer op de bank met een rood geverfde schapenvacht wisselen ouders en zoon gretig ervaringen uit.

,,Papa, papa, hoe was het?''

,,Nee, jij eerst.''

,,Nee, jij.''

Als kluizenaars hebben Rexhep en zijn vrouw de weken voor het vredesakkoord geleefd. Wie de straten van Urosevac opging, was zijn leven niet zeker. De enkele keer dat de donkerblonde Mevlide boodschappen deed, werd ze lastig gevallen door Servische politieagenten.

Mevlide en Rexhep sliepen in een kleine schuilkelder onder het huis; via een luik lieten ze zich in de bedompte ruimte zakken waar net genoeg ruimte is voor twee mensen. Toen de NAVO-militairen de stad hadden bevrijd, kwamen de mensen uit hun schuilkelders tevoorschijn. Mevlide: ,,Ik wist niet dat er nog zoveel mensen leefden in de stad. Op het plein in het centrum werd het een groot feest.''

De Hamiti's leven aan de rand van de stad en via zigeuners konden ze verse groente en melk kopen. Rexheps broer is bakker en meel was er in overvloed. ,,Honger hebben we niet geleden. Alleen aan sigaretten had ik een groot gebrek'', zegt Rexhep. ,,Een pakje Boss deed op de zwarte markt vijf mark [de normale prijs is ongeveer een mark, red]. Maar bij de ontberingen van de oorlog wilde ik mij het roken niet ontzeggen. Ons spaargeld is bijna op.''

Rexhep is bouwvakker geweest in Duitsland en Zwitserland en van het geld heeft hij een bescheiden huis in Urosevac gebouwd. Het huis met een kleine rozentuin was volgens hem de reden waarom hij en zijn vrouw hun drie zoons Arben (18), Skender (24) en Namon (16) niet hebben gevolgd naar Macedonië. ,,Ik wilde mijn bezit zo lang mogelijk verdedigen, hoewel ik ook wel weet dat ik niets begin wanneer ze een granaat naar binnen gooien of het huis in brand steken'', vertelt Rexhep. ,,En onze zoon Avni vecht bij het UÇK. Weggaan betekende ook hem in de steek laten. Nu kwam hij af en toe eten'', vult Mevlide aan.

De andere drie zoons sloten zich niet aan bij het UCK. Om de pesterijen en bedreigingen van de Serviërs te ontvluchten zijn ze naar het buurland Macedonië gegaan. Skender, zijn vrouw en twee kinderen en zijn jongste broer Namon zitten nog steeds in het vluchtelingenkamp Urosevac op ongeveer twintig kilometer van de Albanese grens. ,,Wij hebben de hele weg gelopen'', zegt Arben.

De ervaringen tussen vader en zoon worden in rap tempo gewisseld, terwijl Mevlide vanuit haar ooghoeken haar zoon observeert. Rexhep vertelt dat de NAVO een metaalfabriek op nog geen halve kilometer van hun huis heeft gebombardeerd. De NAVO raakten daarbij ook een paar woonhuizen. Mevlide's broer werd 's nachts van zijn bed gelicht om voor de Servische televisie het bombardement scherp te veroordelen. ,,En deed Mustaf dat niet dan hadden ze hem en tante Miradie en al je neefjes en nichtjes vermoord'', vult Mevlide aan.

Over zijn ervaringen is Arben spaarzaam. ,,Het was een kamp, daar is eigenlijk alles mee gezegd.'' Maar vol vuur vertelt hij van zijn ervaringen van de afgelopen uren. De wachttijd voor de grenspost bij Blace. De kapotgeschoten en uitgebrande huizen onderweg. De spooksteden waar langzamerhand de eerste bewoners weer terug keren. En de overmacht aan Amerikaanse militairen in het zuiden van Kosovo.

,,In het centrum geven kleine kinderen caramels en bloemen aan onze NAVO-helden'', zegt Arben. ,,En wat is er gebeurd met de Servische honden?'' Hij doelt op Servische inwoners van zijn stad die actief hebben meegeholpen bij de vernielingen, de verdrijving en de moorden in de stad. Op weg naar zijn huis wees hij bijvoorbeeld een riant huis aan met een keurig aangelegde tuin waar ,,Servische barbaren'' wonen. ,,Gevlucht'', zegt zijn vader ,,en het moordduo [een tweeling die in het bewuste huis hebben gewoond, red.] is gisteren door het UÇK overgeleverd aan de NAVO.'' Arben weet genoeg. Hij geeft zijn vriend Blerim een por en met hun tijdelijk persoonsbewijs van de UNCHR nog opgespeld verdwijnen 209518 en 209519 naar het centrum van de stad. ,,We gaan even naar Blerim's ouders en dan naar onze vrienden.''

De twee jongens behoorden gisteren tot een groep van bijna drieduizend mensen die bij Blace de grens zijn gepasseerd op weg naar hun huizen in Kosovo. De rijen voor de grens zijn lang, de wachttijd loopt op tot vijf uur.

De kampen lopen leeg. ,,Er is bijna geen houden meer aan'', zegt Robert Allen, `kampmanager', zoals hij het zelf omschrijft, van Stenkovac II. ,,Officieel leven hier ongeveer 22.500 mensen, maar op dit moment zijn het er ongeveer 15.000 schat ik.'' Vandaag zou een officiële telling worden gehouden, maar het is eigenlijk onbegonnen werk, erkent Allen. Om het kamp staat een hek, maar om de tien meter is een opening geknipt. De Macedonische politie controleert, maar treedt niet op wanneer mensen zonder hun kamppasje het terrein verlaten. ,,Hoe eerder de vluchtelingen weg zijn, hoe beter de Macedoniërs het vinden'', zegt Allen.

De tenten op het terrein zijn leger dan een paar weken geleden. Op het terrein hebben handelaren uit Skopje hun koopwaar uitgestald. Het assortiment van de bazaar van Stenkovec doet niet onder voor die van Skopje. En dat geldt ook voor de prijzen. ,,Ik wil geen woekerwinst maken'', zegt een verkoper van T-shirts, shorts en zwarte bh's. ,,De vluchtelingen zijn toch onze bloedbroeders.''

Bij de poort stappen vluchtelingen in een bus met daarop een wit stuk papier `Sweden'. ,,Nooit kom ik weer in deze klerestreek'', zegt Xhafer Maqedonisi terwijl hij zijn vrouw en kinderen helpt met instijgen. Hij komt uit Bujanovac; een plaats op de grens van Kosovo en Servië. De afgelopen tijd zijn de Servische paramilitairen daar ,,als beesten'' te keer gegaan. ,,Met vlammenwerpers staken ze hele wijken in brand en schoten op alles wat Albanees was.'' Een Servische buurman laadde het gezin twee weken geleden in zijn busje en heeft ze naar Blace gereden. ,,Een kilometer voor de grens hebben we afscheid genomen. Hij is de enige Serviër die ik vertrouw.''