Een volk waarvoor geen plaats wordt gemaakt

Tegen de Turks-Koerdische leider Abdullah Öcalan heeft een Turkse openbaar aanklager de doodstraf geëist.Volgende week wordt het proces voortgezet. Koerden over de hele wereld zien Öcalan als symbool van een vrij Koerdistan. Een volk van miljoenen mensen, dat geen volk mag zijn.Op zoek naar erkenning.De Koerden leven in een spiraal van gebruiken en gebruikt worden, van vriendschap en verraad. De tragiek van een volk.

ALLE MACHTHEBBERS in het Midden-Oosten zijn het over één ding gloeiend eens: de Koerden mogen in geen van hun landen aparte rechten krijgen, omdat Koerden in de andere staten dan onmiddellijk hetzelfde zullen eisen. Dus zweert men bij het dogma dat er geen Koerdische kwestie bestaat, hoogstens een probleem van economische achterstelling en van buiten gedirigeerd terrorisme. Als regeringsgetrouwen een doodenkele keer onder vier ogen erkennen dat er een Koerdische kwestie bestaat, dan noemen ze die meteen onoplosbaar. Want, aldus de algemeen aanvaarde stelling, de nog jonge en centralistisch bestuurde staten kúnnen de Koerden geen speciale rechten geven, wat betreft hun identiteit. Dan zouden deze staten onherroepelijk uiteenvallen. Dat mag onder geen beding, omdat stabiliteit – en daarmee de politieke status quo – boven alles geldt in een regio die door haar olierijkdom en geostrategische ligging voor iedereen van levensbelang is. Het Westen gaat stilzwijgend met al deze uitgangspunten akkoord.

Vandaar dat de Nederlandse regering in 1975 een groep Koerden uit Irak, die zij nota bene zélf als politieke vluchtelingen had uitgezocht, niet de a-status wilde geven, maar diezelfde status wél automatisch toekende aan de politieke vluchtelingen uit Chili. Op de vraag waarom zei het ministerie van Justitie: ,,Uit niets blijkt dat de Koerden in Irak gevaar lopen.'' De Koerdische vluchtelingen moesten `omwille van de goede betrekkingen met Irak' een schriftelijke belofte tekenen dat zij in Nederland geen politieke activiteiten tegen Irak zouden ondernemen.

De irrelevantie van de Koerden voor het Westen bleek in 1988, toen de New York Times op de voorpagina berichtte dat vier Palestijnen bij de intifadah om het leven waren gekomen, en op een binnenpagina in een eenkolomsberichtje dat duizenden Koerden in de stad Halabja bij een gifgasbombardement door Saddam Hussein waren gedood.

Die benadering veranderde in 1991 na de bevrijding van Koeweit. Voor het eerst kwam de lijdensgeschiedenis van de Iraakse Koerden door de aangrijpende televisiebeelden van hun vlucht op de internationale agenda, nadat hun opstand door Saddam Hussein bloedig was neergeslagen. Maar ook dát bleek slechts een emotionele oprisping zonder duurzame politieke gevolgen. De Westerse bescherming van de Iraakse Koerden in `Vrij Koerdistan` is thans uitsluitend bedoeld tegen het regime van Saddam, niet tegen zijn opvolgers, en alleen om Iraakse luchtaanvallen te verhinderen.

Politiek en opportunisme zijn per definitie nauw met elkaar verbonden. Daarom zijn Koerden voor het Westen uitsluitend interessant als zij zich keren tegen een onwelgevallig regime. Dan worden zij geholpen, maar mondjesmaat en alleen om de staat waar zij wonen te verzwakken. Zodra dat doel is bereikt of niet langer wordt nagestreefd, is het met de steun aan de Koerden gedaan. In het Midden-Oosten hebben alle machthebbers als gouden regel dat zij de opstandige Koerden van het buurland steunen en tegelijkertijd de Koerden in eigen land zo veel mogelijk eronder houden. Omgekeerd laten de Koerden zich gewillig als instrument gebruiken door elke niet-Koerdische macht die hen steunt.

Deze historisch gegroeide, bijna shakespeariaanse combinatie van gebruiken en gebruikt worden, van vriendschap en verraad is wellicht de grootste tragiek van het Koerdische volk, dat nergens over zijn eigen lot kan beschikken. Behalve in Iran, waar zij een betrekkelijk grote culturele vrijheid genieten, en in `Vrij Koerdistan` mogen Koerden zich nergens als Koerden manifesteren. Voor de Turkse overheid bestaan er geen Koerden. Zij probeert sinds Atatürk alle inwoners van het land desnoods met geweld tot `trotse en gelukkige Turken' te maken. En onlangs kwam een Koerdische delegatie uit Syrië naar het Koerdisch Nationaal Congres om daar namens president Assad te betogen dat het gebied waar de Syrische Koerden wonen, niet tot Koerdistan kan worden gerekend.

Eeuwenlang leefden de Koerden, met vele andere volkeren, in het Ottomaanse Imperium en het Perzische Rijk. Zij waren in stamgemeenschappen verdeeld en stonden onder de directe leiding van hun grootgrondbezitters (agha's) en hun geestelijke leiders (sjeiks). Hun leiders vonden het vanzelfsprekend om hun eigen aanzien en macht tegen hun concurrenten – ook Koerdische – te beschermen. Zeer vaak namen zij en hun manschappen enthousiast deel aan de oorlogen van hun sultans en sjahs. En soms bereikten zij het toppunt van de macht. Zoals de beroemde sultan Salah Eddin, die in het jaar 1187 aan het hoofd van een islamitisch leger Jeruzalem op de Kruisvaarders veroverde.

Er bestond dan ook heel lang geen ideologische behoefte om de Koerden cultureel of politiek te assimileren. Dat was ook niet nodig. De onderdanen van het Ottomaanse en het Perzische Imperium leefden in redelijk autonome religieuze en etnische gemeenschappen. Voor zover er sprake was van onderdrukking, was dat omdat de sultan of de sjah specifieke, door Koerden bewoonde gebieden beter onder zijn controle wilde krijgen, of omdat sommige Koerdische groepen een minder gewenste islamitische traditie aanhingen.

Pas in de vorige eeuw kwam bij de onderdanen van de twee multi-etnische moslimrijken in het Midden-Oosten heel langzaam het besef dat hun identiteit niet alleen bepaald werd door hun religieuze gemeenschap of stam. Zij waren – aldus kleine elites, onder invloed van Westers-nationalistische gedachten – onderdeel van een natie met een eigen cultuur en een gemeenschappelijke lotsverbondenheid. Maar het zou nog vele decennia duren tot het gewone volk die ideeën omhelsde.

De Koerden bevonden zich daarbij in een zeer nadelige positie. Weliswaar stamt het begrip Koerdistan al uit de 12de eeuw. Maar zij werden niet als een aparte natie gezien, hoewel zij, zoals alle nationalistische bewegingen, wél hun eigen mythische verhalen hebben over hun gemeenschappelijke afkomst: de Meden. Voor de buitenwereld waren zij een roerig stelletje ongeregeld, dat men niet erg serieus nam, behalve als men ze voor de oorlogvoering of de smokkelhandel nodig had. Vanuit die sfeer kon een Turkse `wetenschapper' poneren dat de Koerden gewoon `Berg-Turken' waren, behorend tot één van de verschillende groepen Turken die vanuit Klein-Azië naar Anatolië waren geëmigreerd. Hun naam ontleenden zij aan het krrt-krrt-geluid van hun schoenen, toen zij door de met sneeuw bedekte bergen liepen. Dit onzinverhaal werd door de overheid tot de enige waarheid verheven.

Na de Eerste Wereldoorlog leek het er even op dat de Koerden hun eigen staat zouden krijgen, toen de overwinnaars besloten om het Ottomaanse Imperium in stukjes te hakken en voor zichzelf de beste brokken uit te zoeken. In 1920 bepaalde het Vredesverdrag van Sèvres dat de Armeniërs onafhankelijkheid, en de Koerden zelfbestuur en eventueel een staat zouden krijgen. De nationalisten onder Atatürk slaagden er uiteindelijk in een groter deel van het Ottomaanse Imperium voor Turkije te behouden. Opnieuw vochten de Koerden enthousiast met de Turken mee, in ruil voor de toezegging van Atatürk dat het nieuwe Turkije een land van twee volkeren zou worden. Bij het in 1923 gesloten Vredesverdrag van Lausanne werd echter met geen woord meer over de Koerden gerept. Atatürks `staat van twee volkeren' werd vervolgens een `staat van gelukkige Turken'. Met culturele onderdrukking en massamoord probeerde men de Koerden dat besef bij te brengen.

In de Arabische wereld gebeurde in feite hetzelfde. Daar gaf het Arabische nationalisme steeds minder ruimte aan diversiteit en pluriformiteit, waardoor niet-Arabische en niet-sunnitisch-islamitische groepen het steeds moeilijker kregen. De Koerden moesten zich als Arabieren gedragen of verdwijnen. Tegelijkertijd echter kunnen individuele Koerden die hun Koerdische afkomst versluieren, overal in de regio tot hoge militaire en politieke posten doordringen. Het anti-Koerdisme is namelijk beslist niet racistisch.

Maar de gruwelijkste represailles volgen als Koerden erkenning zoeken voor hun culturele, laat staan hun politieke rechten. Want zij hebben de pech dat alle staten in het Midden-Oosten uniforme natiestaten willen zijn, én dat zijzelf respectievelijk in Irak en Turkije zeer olie- en waterrijke gebieden bewonen, die de nationale overheden voor zich opeisen. Deze willen niet inzien dat het afdwingen van assimilatie uiteindelijk alleen maar tot tegengeweld en burgeroorlog kan leiden.

De onderdrukking van de Koerden heeft verreikende gevolgen gehad. Miljoenen Koerden zijn uit hun oorspronkelijke leefgebieden gevlucht of verjaagd. Zij hebben zich in de grote steden gevestigd of in het buitenland. Daardoor beperkt het Koerdische probleem zich niet langer tot een afgelegen gebied en zijn de Koerden niet meer een ver en vreemd volk. Zij wonen nu in het Midden-Oosten tussen al diegenen die hun Koerd-zijn niet accepteren. Dus zijn zij voor de gevestigde orde en rust een veel grotere bedreiging dan voorheen. En in Europa zullen zij steeds effectievere pressiegroepen vormen, waardoor directe Europese betrokkenheid bij het Koerdenprobleem op den duur onvermijdelijk is.

Het broeit als nooit tevoren in de grote steden van Turkije, waar de haat tussen Turken en Koerden groeit, zeker na de gevangenneming van PKK-leider Öcalan. Niet voor niets schreef de buitengewoon vooruitziende Turkse president Turgut Özal in 1993 vlak voor zijn dood in een brief aan zijn eerste minster Demirel: ,,De Turkse Republiek ziet zich voor de ernstigste bedreiging tot dusver gesteld: een sociale aardbeving zou een deel van Turkije kunnen afsnijden en wij allen kunnen daaronder begraven worden.''