Uitverkoop?

HEINEKEN HEEFT vorige week een brouwerij in Spanje gekocht voor 1,4 miljard gulden. De Nederlandse fabrikant beheerst nu ongeveer eenderde van de biermarkten in Spanje, Frankrijk, Italië en Polen en driekwart van de Griekse markt. Twee dagen eerder kocht ABN Amro een kleine effectenmakelaar in Egypte en daags daarvoor kocht Getronics voor twee miljard dollar Wang, ooit een boegbeeld van de Amerikaanse computerindustrie. Vandaag heeft KPN zijn belang in het Ierse telecombedrijf Eireann uitgebreid.

Het is maar een greep van Nederlandse ondernemingen die actief zijn op het internationale overnamepad. Per saldo kopen Nederlandse bedrijven aanzienlijk meer in het buitenland dan omgekeerd. Kapitaalexport is de onvermijdelijke keerzijde van het grote overschot op de lopende rekening van de Nederlandse betalingsbalans. Toch dringt zich gemakkelijk een politiek Oranjegevoel op: Nederlandse overnames in het buitenland kunnen op sympathie rekenen, maar als buitenlandse bedrijven een Nederlandse onderneming kopen, roept dat vragen op over verlies van nationale identiteit en uitverkoop van de economie. Dat gebeurt met name als het gaat om de verkoop van nutsbedrijven en industrieën.

De liberalisatie van de nutssector – telecom, energie, water, openbaar vervoer – is een voortvloeisel van de Europese regelgeving. De verkoop van industriële ondernemingen is deels een uitvloeisel van de privatiseringsgolf: de overheid verkoopt haar belangen in staatsbedrijven aan marktpartijen. Wat zich nu afspeelt – recentelijk onder meer de verkoop van het Utrechtse energiebedrijf aan een Amerikaanse onderneming, de overname van Hoogovens door British Steel, de verkoop van Sphinx aan een Fins concern – is het gevolg van een welbewust gekozen beleid van economische liberalisering en schaalvergroting. Dat brengt voordelen met zich mee van grotere efficiëntie, marktwerking en slagkracht, maar er zijn ook kanttekeningen bij te plaatsen. Zoals het verlies van autonomie en beslissingsbevoegdheid.

HOOGOVENS IS een interessant geval. Het staalbedrijf in Beverwijk opereert in een moeilijke markt. De staalmarkt kenmerkt zich door wereldwijde overproductie en moordende concurrentie uit lagekostenlanden, met name Oost-Europa en Oost-Azië. De Europese staalmarkt is jarenlang overmatig beschermd geweest, maar is aan een moeizaam proces van saneringen begonnen. Fusies en overnemingen zijn aan de orde van de dag: Thyssen en Krupp in Duitsland, Usinor en Cockerill Sambre (Frans-Belgisch), Arbed en Aceralia (Luxemburgs-Spaans). In dat rijtje is de nieuwe combinatie British Steel-Hoogovens een sterke speler: beide bedrijven zijn gezond (hoewel de winst van BS onder druk staat door het sterke pond) en hebben omvangrijke saneringsoperaties achter zich. De samenvoeging is een offensieve stap.

De slechting van nationale begrenzingen in de Europese staalindustrie is om een heel andere reden van belang. De Europese Unie bezint zich na de Kosovo-oorlog op de wenselijkheid een sterkere defensie-industrie op te bouwen als tegenhanger van de Amerikaanse militaire suprematie. Een behoorlijke defensie-industrie is een onmisbare basis voor het bereiken van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid. Zoals de EGKS in 1952 werd opgericht om staal en steenkolen, de grondstoffen voor de oorlogsindustrie, onder een `hoge autoriteit' te brengen, zo moeten nu nationale sentimenten terzijde geschoven worden wil de Europese Unie ooit een met de VS concurrerende defensie-industrie kunnen opbouwen. Net zoals de defensie-elektronica (Hollandsche Signaal is in Franse handen) kan de staalindustrie zich daaraan niet onttrekken.

HET AFSCHEID VAN paradepaardjes van de Nederlandse industrie heeft nog andere aspecten. Ten eerste is het een uitvloeisel van de economische dynamiek. Zware industrie verplaatst zich naar opkomende landen, de productie van goederen (`dingen die op je tenen kunnen vallen') maakt plaats voor die van diensten. Industrietakken – textiel, scheepsbouw – verdwijnen en komen op. Nederland beschikt met Stork, ASML en Océ over voorbeelden van technologisch hoogwaardige productie-industrieën. DAF is na een Amerikaanse overname herrezen. Stork heeft een bloeiende luchtvaartpoot, overgenomen uit de failliete boedel van Fokker.

De overheid treedt tegenwoordig minder op als aanjager/eigenaar en meer als toezichthouder van de economische bedrijvigheid. Daarbij zijn grensoverschrijdende fusies en overnames een gegeven. Ook als eertijdse industriële `kroonjuwelen' hun strikt nationale karakter verliezen. Nederland moet blijven zorgen voor een goed investeringsklimaat, dan staat het er economisch gezien alleen maar sterker voor.