Serviërs: NAVO beschikt niet over echte mannen

Vertrekkende Servische soldaten vinden de NAVO-militairen niet zoveel voorstellen. ,,Ze hebben geen baard, het zijn geen mannen zoals wij.''

Op het terras van café Romanca in Kosovo Polje, twee kilometer van Pristina, zitten dinsdagochtend vroeg tien Servische militairen. Ze drinken wodka. Dit is hun laatste dag in Kosovo, voor het terras staan hun tanks en trucks opgesteld voor vertrek naar Servië. Volgens de overeenkomst tussen de NAVO en Belgrado moeten de militairen, para-militairen en politie-eenheden vanavond uit de omgeving van Priština weg zijn. Maar sergeant Nebojsa Cvetic (32) wil niet praten over weggaan. Hij zegt: ,,Ik sta klaar om te schieten als ik daartoe opdracht krijg.''

Maar Cvetic weet ook dat hij die opdracht niet zal krijgen. ,,Als de politiek zich er niet mee had bemoeid'', zegt hij, ,,waren er onder de NAVO-soldaten heel veel doden gevallen. '' De sergeant heeft die militairen de afgelopen dagen eens goed bekeken en nu weet hij het zeker: op de grond had het Servische leger de NAVO vernederd. ,,Ze hebben geen baard, het zijn geen mannen zoals wij.'' Een soldaat die door de anderen Bucko, de dikke, wordt genoemd, schreeuwt ertussendoor: ,,De Fransen. Dat zijn de grootste homoseksuelen die er bestaan.''

Cvetic is eigenaar van een hondenpension in Zrenjanim, in de Vojvodina. Drie maanden geleden meldde hij zich als vrijwilliger voor Kosovo. ,,Omdat ik Serviër ben, omdat ik orthodox ben.'' Hij heeft tot nu toe steeds op de partij van Miloševic gestemd. Hij is teleurgesteld, de sergeant had met plezier nog minstens tien jaar gevochten tegen de Albanezen en de Navo. Miloševic had niet moeten toegeven. ,,Hij is onder druk gezet door de Russen.''

Over de weg langs het terras van café Romanca rijden Servische militairen en para-militairen voorbij, in kilometerslange colonnes, op weg naar het noorden. Op hun tanks hebben ze posters geplakt van blote vrouwen, er hangen BH's aan de zijkanten van hun voertuigen, en spandoeken waarop staat: `Wij komen terug. Kosovo is Servië.'

Een paramilitair met zwartgemaakt gezicht en een rode band om zijn hoofd houdt een plis in zijn handen, het hoofddeksel dat vooral door oudere Albanese mannen wordt gedragen, en een bijl. Anderen zwaaien met messen. Ze komen uit de stad Pec, in het westen van Kosovo, en uit de omgeving van Kosovo Polje, een dorp waar nu alleen nog maar Serviërs wonen. Die staan langs de weg te juichen naar de militairen, voor het terras van café Romanca gooien twee meisjes met blondgeverfd haar bloemen naar de soldaten. Ze staan naast een lege, Servische truck die naar lijken ruikt.

Eén van de militairen op het terras zegt in het Duits hij woonde in Oostenrijk en zegt dat hij `Johnny' heet - dat hij graag meer zou vertellen over de afgelopen drie maanden in Kosovo. Maar niet met zijn collega's in de buurt. ,,Als dit langer had geduurd, had ik het niet volgehouden.'' Drie maanden lang hield zijn eenheid zich schuil in de bossen, er was nauwelijks water, en maar één keer per dag eten.

Bij het station van Kosovo Polje, het grootste station in de buurt van de hoofdstad Priština, staan Servische mannen en vrouwen. Servische vluchtelingen uit de Krajina, gebied dat nu bij Kroatië hoort. Ze wonen in een broodfabriek bij het station. Van dit station werden kort na het begin van de Navo-bombardementen op Joegoslavië duizenden Albanese vluchtelingen in volgepakte treinen naar Macedonië gedeporteerd. De Servische vluchtelingen uit de Krajina kwamen, vertellen ze, begin jaren negentig lopend naar Servië. Een oude vrouw zegt: ,,De Albanezen konden keurig met de trein het land uit. Die behielden hun waardigheid.''