Probleem zonder programma

In de campagne voor de Europese verkiezingen heeft de oorlog om Kosovo geen rol gespeeld. De kiezer die wilde laten weten dat hij tegen de bombardementen was, en toch tot een grote partij wilde horen, kon alleen demonstratief niet gaan stemmen, zoals Marcel van Dam gedaan heeft. Maar niet iedere kiezer kan zo'n besluit in een krantencolumn verklaren. Wie voorstander was, zonder reserve, had het ook moeilijk, behalve in Engeland waar hij op de ontembaarste aller regeringsleiders kon stemmen. Het nieuwe Labour van Blair heeft bij een opkomst van 23 procent 27 zetels verloren. Overigens zijn de Britse Conservatieven niet tegen de NAVO-politiek.

De gemiddelde opkomst over het geheel van de Europese Unie gerekend, was 47 procent, een laagterecord. Centrum-rechts, de Christen-Democraten en de Liberalen, hebben 14 zetels gewonnen. Dat hebben ze waarschijnlijk niet te danken aan de kiezers die tegen de bombardementen waren. In heel Europa zijn de Groenen 11 zetels vooruitgegaan, ondanks het Duitse resultaat: 5 zetels verlies. Het oude radicalisme van deze partij in aanmerking genomen, valt het mee dat ze er nog 7 over hebben. Een en ander is zeker aan minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer toe te schrijven. Nadat hij de oppositie bij zijn eigen Groenen had getemd, was er bij de Westelijke belligerenten geen regeringspartij meer die zich tegen de Joegoslavië-politiek verzette. Op het ogenblik dat hij de eenheid van de NAVO redde, sloeg hij dit gat van 5 zetels. Maar voor de rest? Heel het nieuwe socialisme van Europa's derde weg, het nieuwe midden, had geen Kosovo-programma. Bijelkaar hebben ze 55 zetels verloren. Wat zit erachter? Gifkip of NAVO-bom? Dat weten we nog niet precies.

Kosovo wordt wel als `het grootste Europese vraagstuk van na de oorlog' beschouwd. Daarbij gaat het dan niet alleen om de bombardementen. Die hebben hun voorgeschiedenis, en de oorlog zal zijn gigantische nasleep hebben. Toch hebben de grote partijen het geen onderwerp gevonden om hoog op de agenda van de ontluikende Europese buitenlandse en veiligheidspolitiek te noteren. Denken de kiezers er anders over? Of hebben ze er eenvoudig geen zin in en beschouwen ze het geweld als een voorbijgaand humanitair ongemak, een realistisch evenement op de televisie, een soort virtual politics dat met het einde van de bombardementen is verdwenen?

Een van de belangrijkste eigenschappen van het Joegoslavische vraagstuk is al sinds een jaar of tien dat het, hoewel het steeds ernstiger is geworden, toch ver weg is gebleven. Er is een Joegoslavische geschiedenis van etnische zuiveringen en verwoestingen. Daarnaast is er de geschiedenis van pogingen door het Westen ondernomen om er een eind aan te maken, door bemiddeling en het tot stand brengen van een bewaakte wapenstilstand. Daaraan voorafgaande militaire interventie was uitgesloten. Dat hebben `wij' de strijdende partijen voortdurend, te pas en meer te onpas, laten weten om ons eigen publiek gerust te stellen.

Het gevolg is telkens geweest dat de sterkste partij ter plaatse het Westen als onbedoelde bondgenoot, als instrument heeft geëxploiteerd. Toen hebben de Bosnische Serviërs zichzelf overschat. Het gevolg was Srebrenica. Intussen was het Kroatische leger door de Amerikanen bewapend en getraind. Deze grondtroepen verjoegen de Bosnische Serviërs uit de Krajina. Een paar Amerikaanse bommen deden de rest en met medewerking van Miloševic kwam het akkoord van Dayton tot stand. Einde van dit bedrijf.

Zo was het Westen er opnieuw in geslaagd, het vraagstuk tot virtuele politiek te beperken, een politiek met niet meer dan een marginale inzet, zonder ernstige gevolgen voor de eigen partij. De betrekkelijke uitzondering is het ongelukkige Nederlandse Dutchbat dat praktisch ooggetuige was van een in het geheel niet virtuele massamoord waarop het mentaal noch militair was voorbereid. Dutchbat heeft het er uiteindelijk toch nog heelhuids afgebracht en daarmee was het virtuele aspect onzerzijds gered.

De eerste handelingen van het bedrijf dat Kosovo heet, speelde zich al ongeveer anderhalf jaar geleden af, maar toen had in het bijzonder de Amerikaanse politiek andere dingen aan zijn hoofd. Vorig jaar werd het duidelijk dat de President zou worden verhoord door de speciale aanklager, voor de videocamera's. Zou dit op de televisie komen, ja of nee? De internationale gemeenschap hield de adem in. Daar komen we niet op terug. Omstreeks dezelfde tijd werden tweehonderd Kosovaren vermoord. Milošovic heeft ongetwijfeld gedacht dat hij het spel van Karadzic en Mladic kon spelen, maar dan, bij afwezigheid van Kroatische of welke grondtroepen dan ook, veel beter. Hij veroorloofde het zich, Rambouillet te laten mislukken.

Toen vielen de eerste bommen. Een groot deel van de Amerikaanse openbare mening, leden van het Congres, de media, hadden de diepste twijfel. Er is een moment geweest waarop de oorlog zijn virtuele karakter had kunnen verliezen: toen de Serviërs drie Amerikanen krijgsgevangen maakten. Waren die mishandeld of gedood dan was de grondoorlog zeer dichtbij geweest. Maar Miloševic zag het goed: hij liet ze vrij. De Amerikaanse publieke opinie bedaarde. Het is cru gezegd, maar zolang niet werd gesneuveld, had men er vrede mee.

Is het in Europa niet min of meer op dezelfde manier gegaan? De eenzijdige luchtoorlog – wat men er verder van mag denken, hoe men de `kosten en baten evalueert' (!) – is een oorlog die buiten de kiezers om gaat, zelfs al missen ze geen enkel televisiejournaal. Zo'n luchtoorlog, beperkt tot Joegoslavië, is een oorlog in quarantaine die door `ons' virtueel wordt gevoerd. Dat is de enige oorlog waartoe onze politieke systemen aan weerskanten van de oceaan bereid zijn. Het verschil is dan dat de Amerikanen behalve bereid er ook toe in staat zijn, en `wij' Europeanen zelfstandig niet. Zo komt het dat de Europese buitenlandse politiek die tot oorlog en vrede leidt, in Washington wordt bepaald, van blunder tot succes. Met deze vorm van oorlogvoering en wat daarna komt, waarvan niemand zich ook maar bij benadering een voorstelling maakt, blijken nu ook de Europese kiezers zich in meerderheid te kunnen verenigen, tenzij ze er niet koud of warm van worden. Want waarom zouden ze anders thuis blijven.