Intense documentaire getuigt van moed

Wat na de fake-documentaires van Lodewijk Crijns (Kutzooi, 1995 en Lap rouge, 1996) en in zijn kielzog Merlijn Passier (De tranen van Castro, 1997) niemand meer voor elkaar leek te krijgen, is Jesse de Jong (1972) toch gelukt: met een documentaire een van de meest besproken eindexamenfilms van zijn jaar af te leveren. Niet omdat Het lege nest, een tot in zijn meest alledaagse en saaie essentie teruggebracht portret van een huisvrouw die, nadat haar kinderen het huis uit zijn gegaan, haar verveling de baas moet zien te worden, niet écht zou zijn. Integendeel, de strak gekadreerde en symmetrische kijkdoosshots van een beetje grauwe vrouw die door haar huisje stiefelt, zijn waarschijnlijk de meest authentieke filmbeelden die Lichting99 van de Nederlandse Film en Televisie Academie (NFTA) heeft opgeleverd. Ze werken beurtelings op je zenuwen of je lachspieren, wekken bewondering voor het lef dat De Jong heeft gehad ons zoveel langdradige lamlendigheid voor te schotelen, doen aan iemand denken die je kent, roepen de angst op ooit zo te worden en blijven desondanks vol respect voor de hoofdpersoon. Af en toe lijkt de geschiedenis van deze Kitty Hoedjes te mooi om waar te zijn. Wat is dat voor gespannen lachje als ze opeens recht in de camera moppert hoe teleurgesteld ze is dat haar dochter geen taarten komt bakken? Of zijn dat alleen maar de zenuwen van iemand voor wie het ondraaglijk is om eenzaam te zijn, plotseling gezelschap heeft (de camera) en dan ook nog eens moet doen alsof ze alleen is? Het geeft de film een onverwachte gelaagdheid.

Zo weinig als Jesse de Jong zijn best heeft gedaan om de toeschouwer te behagen, zo fatsoenlijk zijn de eindexamenwerkstukken van de meeste van zijn jaargenoten. Als er iets gemeenschappelijks over gezegd moet worden, dan is het wel dat ze zo adequaat zijn. Het merendeel van de films maakt productioneel gezien een verzorgde indruk. Kon in het verleden nog wel eens de indruk ontstaan dat de studenten regie de enige eindexamenkandidaten van de Filmacademie waren, cameraman Jeroen de Bruin (Roza, Het lege nest) en editor Talia Stone (Rua do cinema, Betaalde liefde), om er twee te noemen, zullen ongetwijfeld op de credits van vele toekomstige producties komen te staan. Al kon ik mij af en toe niet aan de indruk onttrekken dat de gladjes gefilmde en gemonteerde televisiefilms en -documentaires die de heersende mode in subsidieland uitmaken de jonge filmmakers meer als voorbeeld hebben gediend dan recente ontwikkelingen in de filmgeschiedenis als bijvoorbeeld de nieuwe soberheid van DOGMA95. `Pakkende verhalen voor een breed publiek, mogelijk niet zo kunstzinnig', `comedies, romances en thrillers of elke denkbare combinatie van deze drie genres', het zijn precies die woorden waarmee de intendant van het Nederlands Fonds voor de Film momenteel op zoek is naar `nieuwe ideeën voor publieksfilms' en die het gros van de eindexamenproducties kenmerken.

Nienke Schachtschabel (1974), Martijn Schinkel (1971), Jan Sebening (1967) en Pascale Simons (1971) studeerden af met fictiefilms over de pijnlijke ontmoeting van twee jeugdvriendinnen (Lin), een man die een aantal obstakels moet zien te overwinnen (Top), een meisje dat met behulp van een rijk gesorteerde sleutelbos binnendringt in andermans levens (Meisje met de sleutels) en een pizzakoerier die maar niet kan geloven dat zijn moeder na zoveel jaren de vrouw van zijn vader te zijn geweest opeens lesbisch is geworden (Steve, pizza's, potten & pistolen). Het zijn films die gebaseerd zijn op een goed idee, een onverwachte scenariowending, maar niet eigenzinnig of persoonlijk zijn, in die zin dat de film de persoonlijkheid van de maker en de noodzaak om juist die film te maken weerspiegelt. Wel sluiten ze wat betreft onderwerp nauw aan bij de ervarings- en belevingswereld van twintig- tot dertigjarigen. Volwassen worden, afscheid nemen van de vanzelfsprekendheden uit je jeugd vormen ook de rode draad voor het jonge meisje dat in Anousja moet aanvaarden dat haar oudere zus gaat trouwen (Tamara Miranda, 1969; werd vorig jaar genomineerd voor een Gouden Kalf voor haar korte documentaire Het leven dat wij droomden) en Roza (Ramon Swaab, 1972). In dit amper tien minuten durende dialoogloze zwart-witfilmpje wacht een oude man op zijn vrouw die in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werd weggevoerd. Elke dag staat hij weer bij op het station en elke dag komt zij niet. Mooi door z'n sobere motief, cameravoering en de prachtige kop van hoofdrolspeler Jan de Koning, die als de oude man niet veel nodig heeft om zijn herinneringen op z'n gelaat zichtbaar te maken. Roza is samen met Meisje met de sleutels overigens de enige eindexamenproductie die nog op film werd afgewerkt.

H. Raj Pabla (1971) maakte wel een persoonlijke film. Zijn Laisser faire is een geëngageerde, maar in z'n uitwerking wat houterige reflectie op seksueel misbruik. Ook Jan Diederik Oudshoorn Spaargaren (1966) liet zich inspireren door persoonlijke motieven, maar dan van cinematografische aard. Betaalde liefde is een heuse Hollandse film noir - inclusief lafhartige held, fatale dame en vuurtoren die slagschaduwen werpt - een ode aan een genre dat door jonge filmmakers vaker gepasticheerd en gekopieerd wordt. Toch roept het sympathie op omdat ze via de imitatie blijk geven van filmisch inzicht en vooral van die bijzondere vorm van filmliefde die cinefilie heet.

Van cinefilie tenslotte is ook de tweede documentaire van Lichting99 doordrenkt: Rua do Cinema, waarin Nana Jongerden (1971) een gouden onderwerp vond in de exploitant van een verlopen Portugese dorpsbioscoop. Een productie die - ondanks z'n neiging tot mooifilmerij - ongetwijfeld zijn weg zal vinden naar een van de omroepen.

Daarmee is de overheersende indruk bevestigd dat het merendeel van de films van Lichting99 gemaakt lijkt om de markt te veroveren en niet om geschiedenis te schrijven.

Lichting99. Eindexamenproducties Nederlandse Film en Televisie Academie. Te zien: wo. 16 juni van 15.00-24.00u., do. 17 juni van 12.00-24.00u. en vr. 18 juni van 11.30-17.15u. In: Kriterion, Amsterdam.