Ik kan niet als enige gelijk hebben

Een kleine vijf jaar was de Belg Karel van Miert in de Europese Commissie hoeder van faire competitie in de EU. Hij had een voortreffelijk imago – maar leed soms ook pijnlijke verliezen.

Een gesprek over Amerikaanse lobby's, Neelie & Nijenrode, de technolease-nederlaag, en het gevaar dat zijn portefeuille in verkeerde handen komt.

Europees commissaris Karel van Miert loopt op zijn laatste benen – maar de pas zit er nog altijd goed in. Zijn portefeuille, mededinging, verhoudt zich slecht met zijn demissionaire status als Europees commissaris. Sinds het aftreden van de commissie-Santer in maart zijn in Brussel veel ogen gericht op de nieuwe Commissie onder de Italiaan Prodi, die half september aantreedt. Van Miert zal er dan niet meer bij zijn – maar ondernemend Europa gunt hem intussen geen time out. Stiekeme staatssteun kan iedere dag aan het licht komen, de schaalvergroting in het bedrijfsleven gaat gewoon door.

,,Ik kan niet zeggen: laat alles maar lopen. Zo'n fusie tussen Hoogovens en British Steel moet immers meteen door mijn diensten getoetst worden. Niet dat het mij een problematische zaak lijkt. Mogelijk zullen wij bijschaving vragen als blijkt dat de twee bedrijven samen bij gespecialiseerde producten een dominante positie innemen. Daar kijken wij naar. En zulke zaken zullen zich blijven voordoen voordat ik vertrek. Dus voor mij geen uitgerekte vakantie.''

Toch heeft Van Miert ingestemd met een gesprek over zijn bijna vijfjarige functioneren als Europees mededingingscommissaris. Voor de Vlaming geen vervelend onderwerp. Zijn optreden werd van stonde af aan gunstig gerecenseerd door de internationale pers, en ook de bestuurlijke appreciatie nam steeds verder toe. Van Miert had de naam ongevoelig te zijn voor uitgekiende lobby's van topmanagers en hun evenknieën uit de politiek. En werd zijn Britse voorganger Sir Leon Brittan wel beticht van thatcheriaanse bijbedoelingen als hij de naleving van de Europese vrijhandel afdwong (geen kartels, verbod op individuele staatssteun, tegen monopolisme), bij de socialist Van Miert kon die verdenking sowieso niet opgaan.

Het heeft hem geen windeieren gelegd. Toen duidelijk was dat een nieuwe ambtsperiode in de Commissie voor Van Miert onhaalbaar was – zichtbaar tot zijn spijt vertelt hij dat Wallonië de Belgische zetel opeist – stroomden de proposities binnen. Zijn oude liefde, het academisch onderwijs, leidde tot een aanbieding van onder meer Harvard, zijn belangstelling voor het transport genereerde een aanlokkelijk verzoek van de wereldorganisatie voor de luchtvaart – maar een verhuizing uit België naar Noord-Amerika ging hem te ver. En een terugkeer naar de Belgische politiek (hij was jarenlang voorzitter van de Vlaamse SP) was niet aan hem besteed. ,,Ik ben hier gewoon geraakt aan efficiënt werken, aan vrijwel dagelijks een vers dossier. In de politiek draait men te veel rondjes.''

En: ,,Uiteraard heeft men ook vanuit de advocatuur gepoogd aan mij te trekken. Dat zou natuurlijk ideaal zijn voor zo'n kantoor: een man die de afhandeling van mededingingszaken van binnenuit kent. Maar deontologisch was dat onmogelijk. Niet voor niets zijn hiervoor richtlijnen voor mijn ambtelijke diensten. Dan kan de commissaris zich daaraan niet onttrekken.''

Dus werd het Nijenrode. Omdat het academisch onderwijs is en omdat het geen verhuizing vergt. De oude contacten deden de rest. ,,Het is gelopen via Neelie'', vertelt Van Miert. ,,Ik kende haar van mijn periode als Europees commissaris voor transport [1990-1994]. Dat liep uitstekend tussen ons. Er stonden grote debatten in de luchtvaart op de agenda en Neelie was altijd een van de voortrekkers van mijn beleid. Je kunt als commissaris alleen maar veranderingen doorvoeren als je wordt gesteund door een aantal ministers, en Neelie was altijd haantje de voorste. Ik ben altijd met haar in contact gebleven; ook met Bram trouwens.

,,Op een dag is haar partijgenoot Ben Verwaayen – ex-KPN, nu Lucent – langsgekomen. Ik ken hem uit een reflectiegroep voor transport. Ik heb hem uiteengezet waarom ik als Belg geen toekomst in de Commissie had en dat ik overwoog terug te gaan lesgeven. Aldus kwam hij spontaan met Nijenrode op de proppen – hij wist dat Neelie overwoog te vertrekken. Toen heb ik nog gezegd: maar Ben, daarover moet ik eerst eens nadenken. Ik was een beetje verrast, want ik verwachtte zeker niet dat ik in Nederland zou terechtkomen. Later heeft Neelie me dan gebeld en hoe meer ik erover nadacht, hoe leuker ik het vond.''

Nu het woord deontologie (plichtenleer) is gevallen: in een van de dossiers waarin Van Miert een pijnlijke nederlaag leed, de fiscale techno-lease-transactie van Philips en de Rabobank (,,ik beken ruiterlijk dat ik die zaak verkeerd heb ingeschat''), zijn precies op het punt van belangenvermenging vragen te stellen.

Dat zit zo. Nadat Van Miert voorjaar 1997 op het spoor van de Philips-technolease kwam, was hij kritisch over de constructie. Philips had binnenskamers van het kabinet-Lubbers toestemming gekregen technologische kennis van 2,8 miljard gulden aan de Rabobank te verkopen, waarna de Rabobank deze aankoop van de winstbelasting mocht aftrekken. Philips kreeg daartegenover zomer 1993 een betaling ineens van 600 miljoen gulden – en raakte aldus uit de financiële problemen.

Een geval van staatssteun, oordeelde de Algemene Rekenkamer, dat aangemeld had moeten worden bij Van Miert. Nadat daarna interne berekeningen van Financiën uitlekten waarin de gederfde belastinginkomsten van de Philips-Rabotransactie werden geraamd op zo'n één miljard gulden, en vervolgens brieven waarin stond dat de transactie ,,eens maar nooit weer'' was, besloot Van Miert de kwestie in detail uit te zoeken. Het leek er, zei hij, sterk op dat het om stiekeme individuele steun ging, strijdig met het Europees Verdrag. ,,Ik blijf erbij'', zegt Van Miert nu, ,,dat de niet-aanmelding van de transactie, in combinatie met de grote terughoudendheid van Nederland met het verstrekken van informatie, mijn aarzelingen rechtvaardigde.''

Minister Zalm en staatssecretaris Vermeend (Financiën) wisten soortgelijke aarzelingen in de Nederlandse politiek en pers in 1997 snel weg te nemen. Zij zonden persberichten uit waarin werd uiteengezet dat de fiscus door de constructie geen inkomsten misliep: de verlaagde afdrachten van de Rabo werden later goedgemaakt door de verhoogde betalingen van Philips. Het was een redenering die in 1997 ook Van Miert werd voorgehouden – maar bij hem op ongeloof stuitte. Hoe kon iedereen rijker worden van een transactie waarvoor niemand betaalde?

Maar na tweeëneenhalf jaar onderzoek trok de Belg vorige maand dezelfde conclusie die Zalm en Vermeend hem al in 1997 voorlegden.

In de tussentijd deed zich tussen het Nederlandse ministerie van Financiën en Van Mierts ambtelijke dienst een transfer voor: de woordvoerder van Vermeend die in 1997 namens Financiën de persberichten uitzond waarin de constructie werd verdedigd, drs. H. Nijkamp, vertrok naar de afdeling staatssteun van Van Miert, en assisteerde daar, zo wordt binnen Van Mierts ambtelijke staf bevestigd, bij de afhandeling van het dossier-technolease.

Deontologisch verantwoord?

,,Mijn diensten werken zo dat nooit één persoon in een hoekje een zaak kan afhandelen. Er zijn zoveel betrokkenen, er wordt zo vaak getoetst, er komen zoveel externe deskundigen aan te pas, dat het onmogelijk is dat één persoon een volledig dossier stuurt. We gebruiken alle expertise die voorhanden is. Zo is het ook met de technolease gegaan.''

Hoe is uw ommezwaai dan tot stand gekomen?

,,Ondanks mijn langdurige twijfel heb ik toegegeven. Essentieel is de vraag of het om een incidentele toestemming ging. Daarvoor waren aanwijzingen in de uitgelekte `eens maar nooit weer'-brieven. Maar ten slotte hebben de Nederlandse autoriteiten kunnen aantonen dat andere bedrijven min of meer gelijkwaardig recht op de transactie hebben gehad. Het bleef een bordje op zijn kant, maar enfin, ik moest mij neerleggen. Ik kan niet alleen gelijk hebben tegen de rest.''

Hoe weet u dat er gelijke behandeling was? Er waren bedrijven wier verzoek om zo'n lease-constructie is afgewezen.

,,Wij weten dit van de Nederlandse overheid. Dat is nu eenmaal een probleem in staatssteundossiers. Wij zijn geheel afhankelijk van de medewerking van de nationale overheden. Het was één van die gevallen aan de rand.''

Het eindrapport van Van Miert over de technolease trok vorige maand bijzondere belangstelling omdat erin wordt voorgerekend dat Nederland zelfs extra belasting (68 miljoen gulden) dankzij de constructie zal innen, dit in contrast met de eerste berekeningen op Financiën.

Maar u kon niet beschikken over de volledige fiscale gegevens van Philips, waardoor u nog steeds geen zekerheid hebt over de financiële effecten van de transactie.

,,Hier geldt hetzelfde probleem. Die gegevens kunnen wij niet direct bij de onderneming inwinnen. Tegenwoordig kunnen we wel bij bedrijven achteraf controleren of ze toezeggingen nakomen. Maar als het gaat om de concrete vraag of wij de fiscale gegevens bij Philips hebben mogen inzien, dan is het antwoord neen – omdat wij daartoe niet de bevoegdheid hebben.''

Van Miert wil overigens niet zeggen dat hij, in dit of andere Hollandse dossiers, ongebruikelijk veel ongemak ondervond van een krachtige Nederlandse lobby. ,,Over Nederland kan ik niet veel klagen. Men speelt het in het algemeen netjes. Ook Nederland heeft natuurlijk zijn demarches geplaatst. In de zaak van de pompstations duurde het bijvoorbeeld veel te lang voordat de informatie afkwam. Zo is het ook geweest met technolease. Maar dat spel hoort er nu eenmaal bij.''

Vanuit welk land bent u het vaakst dwarsgezeten?

,,Ongetwijfeld Duitsland. Dat gaat daar in fasen. Er zijn de normale contacten en argumenten. Ik heb mij altijd opengesteld voor een gesprek voor managers en politici. Daarna was het meestal zo dat er nader werd ingepraat op collega's in de Commissie. En als dat niet werkte, als men het met argumenten niet kon winnen, dan ging het hard. Dan dreigde men: ik weet je te vinden, als je dit doorzet ben je verbrand. Ik heb ervan geleerd dat men niet moet zwichten. Dan waait het over en bedenkt men zich wel alvorens nog eens te gaan dreigen.''

En de Amerikanen rond de fusie van vliegtuigfabriek Boeing met McDonnel Douglas?

,,Dat is de zwaarste druk geweest die ik moest ervaren. Toen kreeg ik de hele Amerikaanse regering op mijn dak. De toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken belde alle collega's in de Commissie af. Ze waren daar gelukkig ongevoelig voor – behalve Edit Cresson natuurlijk – dus dat wisten wij te weerstaan. Ik heb er van opgestoken dat Amerikanen toch wat verder gaan in de lobby dan Europeanen, al leert men hier snel bij.''

De Vlaming toont zich ongerust over hoe met zijn nalatenschap bij de Commissie zal worden omgesprongen. Hij bevestigt dat oud-VVD-leider Bolkestein langs is geweest om te informeren naar het werk als mededingingscommissaris – ,,dat is alweer lang geleden'' – maar wenst zich niet uit te spreken over de kwaliteit van kandidaat-opvolgers. Wel heeft hij een andere waarschuwing in petto.

,,Ik geloof dat de kleine landen moeten oppassen dat de grote niet alvast de belangrijkste portefeuilles innemen. Het terrein van mededinging is geschikter voor een klein land. Als er een Fransman komt zal men de kritiek oefenen dat hij zich te traditioneel opstelt, een Brit – zie de ervaring met mijn voorganger Brittan – zal te horen krijgen dat hij te veel vaart maakt.

,,Zo wordt de portefeuille in het politieke getrokken, en dat is juist geen Europees belang. Mededinging is een Europees stelsel dat zonder politieke inmenging moet worden nageleefd. Daarom is deze portefeuille het beste in handen van een klein land.''