Het is hoog tijd voor een cultureel reveil

De staatssecretaris van Cultuur wil dat de elitekunst het grote publiek meer aanspreekt. Maar wanneer hij wat langer om zich heen had gekeken had hij kunnen zien dat zijn orthodox-socialistische visie op culturele democratisering geen hout meer snijdt, meent Herman Franke.

En het was al zo koud en winderig. Ik las dat het Eurovisie Songfestival het best bekeken televisieprogramma was van 1998, op de vijfde plaats gevolgd door het Nationaal Songfestival. Exclusief voetbal, stond er bij, want anders zou het lijstje louter WK-wedstrijden van het Nederlands elftal bevat hebben. Nou ja, het kan erger, dacht ik. Toen pas las ik dat het hier om het kijkgedrag van de sociale klasse ging waartoe de NRC Handelsblad-lezers gerekend worden. Een cultuurschok? Ja, best wel. De bloedeloze glittermuziek van die songfestivals met hun opgefokte wedstrijdkarakter, symboliseert voor mij nog steeds hoe corrumperend de commercie op de publieke smaak kan werken. Ik verkeerde in de waan dat die festivals in cultureel ontwikkelde kringen op sterven na dood waren. Maar Paul de Leeuw is er met zijn intensieve camp-offensief blijkbaar écht in geslaagd van die muzikale stamppot weer iets te maken dat de mensen graag eten, zelfs de culturele bovenlaag die er voorheen de neus voor ophaalde. HP/De Tijd vulde onlangs bijna een heel nummer met voorbeschouwingen van deze liedjeswedstrijd. Ook in de kwaliteitskranten stonden weer reportages met foto's.

Is dit een grappig bedoelde knieval van een culturele bovenlaag voor smakeloos massa-amusement? Ik denk het niet. De door het NRC Handelsblad-publiek best bekeken speelfilm in 1998 was Pretty Woman, een drakerig, door Veronica uitgezonden drama over een schatrijke man die na veel ongeloofwaardige romantische rim-ram trouwt met een beeldschone, intelligente straathoer. Ruim 600.000 kijkers! Op enkele AVRO-films na werden de tachtig best bekeken speelfilms uitgezonden door SBS6, Veronica of RTL4. Geen enkele van de mooie, door de VPRO uitgezonden films haalde de top-tachtig.

Ik zie dit als symptomatisch voor een culturele welvaartscrisis die sluipenderwijs is ontstaan en nu pas in volle omvang duidelijk wordt. Maar dan is daar staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg. Hij blijkt doof en blind voor deze crisis in de culturele smaakverdeling. Na maanden van luidruchtig opinievertoon in medialand presenteerde hij een nota, Cultuur als confrontatie, die een zwaar achterhaalde analyse van het culturele klimaat in Nederland bevat. De achterhaaldheid van zijn analyse schuilt niet in de tweedeling tussen elitekunst en massacultuur die hij signaleert, maar in de interpretatie van die tweedeling en vooral in wat eraan gedaan moet worden. Van der Ploeg doet het voorkomen alsof de zwaar gesubsidieerde elitekunst een machtige, onneembare `monocultuur' is waartegen de massa steeds weer stuk loopt. Door van de elitekunst te eisen dat ze de massa (vooral de jongeren, allochtonen en `mensen in de provincie') meer aanspreekt hoopt hij een brug te slaan naar de massacultuur. Hij wil `het beste populair maken en het populaire beter', maar door zijn politiek van esthetische zuivering zal het populaire het beste genadeloos verdrijven.

Van der Ploeg ziet een culturele tweedeling en steekt zijn hand uit naar de (jeugdige, allochtone, provinciale) massa die cultureel niet aan bod zou komen. Van de elitekunst verlangt hij dat ze het grote publiek meer aanspreekt. Maar als hij wat langer dan de duur van een college economie om zich heen had gekeken, had hij kunnen zien dat er een belangrijke omslag heeft plaatsgevonden waardoor zijn orthodox-socialistische visie op culturele democratisering geen hout meer snijdt. Door deze omslag behoeft niet de massa maar juist de elite een culturele handreiking en bescherming. Want wat is er gebeurd? Eeuwenlang namen mensen uit de middenklasse de etiquette, de mode en de culturele smaak van de elite over omdat ze hoopten daardoor tot een hogere klasse gerekend te worden. En na een tijd imiteerden ook mensen uit lagere standen dat gedrag, waarop hoger geplaatsten uit distinctiedrift zich er weer van afkeerden en hun gebruiken en smaak verder verfijnden. De verspreiding van kunst, mode en smaak ging van boven naar beneden en daarom spraken cultuurkenners van gedaalde cultuurgoederen (Gesunkenes Kulturgut) als de massa overnam wat door de elite was ontwikkeld. Van de elite ging een appeal uit, een sociale aantrekkingskracht. Door opera, klassieke muziek, beeldende kunst, ballet, toneel en literatuur mooi te vinden, toonde je een goede smaak en telde je cultureel mee. Op lawaaiige volkskunst werd neergekeken. Dat alles had nare, snobistische en ergerlijke elitaire kanten en het is goed dat de samenleving cultureel genivelleerd raakte. Ook cultuur die van onderop kwam telde mee en eindelijk konden veel meer mensen dan de rijksten kennis nemen van kunstvormen die meer strelen dan de opperhuid. Dat ik bij het horen van een counter-tenor niet in een spottende lach uitbarst maar eerder de rillingen over mijn rug voel lopen, heb ik aan die sociale ontwikkeling te danken want mijn ouders waren noch rijk, noch gegoed, noch cultureel ontwikkeld.

Maar daarna sloeg de slinger meedogenloos door. Wanneer precies de culturele beweging van boven naar beneden is gestopt en volledig is omgedraaid, is moeilijk te zeggen. Het moet in samenhang met de massale welvaart ergens in de jaren zeventig zijn begonnen en versneld zijn door de komst van de commerciële televisie, maar zeker is dat de culturele smaak nu ook in hogere kringen in belangrijke mate gevormd wordt door de commerciële massacultuur. Voetbal, de soapseries, de talkshows, de triviaal-literatuur, het songfestival, de disco-mode, het platvloers geneeskrachtige Jomanda-bedrog, ja het pijltjesgooien door dikbuikige kroegtijgers, het wordt allemaal even hartstochtelijk gevreten door medewerkers en studenten aan de universiteiten als door de werkmannen op de steigers en leerlingen in het lager beroepsonderwijs.

Dat zou allemaal niet erg zijn, als de elitecultuur eveneens gedijde. Maar dat is niet zo. En niemand doet er wat aan, want voor je het weet word je neergezet als een arrogante, elitaire klootzak. De druk van onderaf is zo sterk dat bovenin het ene mooie cultuurgoed na het andere over de rand wordt geduwd en ongemerkt verdwijnt in de vergetelheid. Door mensen van boven de veertig wordt er wellicht meer elitekunst geconsumeerd dan ooit, maar zij zullen uitsterven. En wie van de Nederlanders van beneden de dertig weet nog iets van de geschiedenis van de literatuur, filosofie, muziek, beeldende kunst of van de culturele wordingsgeschiedenis in het algemeen? Nog even en een rapper zegt per ongeluk oote, oote, oote, boe en wordt massamediaal geprezen voor zijn originaliteit. En hoe zit het met de Nederlanders beneden de twintig? Van geen enkele kant wordt er meer Bildungsdruk op hen uitgeoefend. Verlamd door de angst om elitair, intolerant of uit-de-tijd bevonden te worden, laten ook mensen die zien, weten en voelen dat het niet goed gaat, deze culturele genocide voortduren.

Ouders die hun kinderen willen behoeden voor de culturele barbarij staan met lege handen. Ze worden uitgelachen want hun kinderen willen meetellen in de over-commerciële, imperialistische jeugdcultuur van popmuziek, televisieroem, mode en uitgaan en ze weten dat ze bij hun leeftijdgenoten geen enkel aanzien verwerven met kennis van de literatuur, de beeldende kunst of de cellosonates van Bach. Er heerst een agressieve hier-en-nu genotscultuur waarbinnen geschiedenis of culturele erfgoederen geen waarde meer hebben. Wat telt is uiterlijk en popmuziek, en dan ook nog vooral de commercieelste vormen ervan. Materieel gaat het beter dan ooit, de mogelijkheden tot culturele ontplooiing zijn nooit beter geweest dan nu, maar wat groeit en bloeit is het alles overwoekerende onkruid van de commerciële massasmaak. Van Multatuli naar Multilul. Je kunt in het centrum van Amsterdam geen winkel binnenstappen of de keiharde confectiemuziek blaast je op een meedogenloos computerritme weer naar buiten. Bij mij in de buurt is een rijwielreparatiewerkplaats waar de hele dag klassieke muziek klinkt. Dat dit uniek is en verbazing wekt, is heel treurig.

Zelden zal een politicus zo weinig gevoel hebben getoond voor de culturele tekenen des tijds als Van der Ploeg. Wie ook maar enige binding heeft met wat mooi en waardevol is ziet elke dag weer bevestigd hoe ernstig de fragiele, weerloze elitekunst bedreigd wordt door een luidruchtige, agressief oprukkende massacultuur die André Rieu prefereert boven Yehudi Menuhin, de logica van Cruyff boven die van Aristoteles, Appie Baantjer boven Thomas Rosenboom, het sjablonige popdansen boven het Nationaal Ballet en het theater van de lach boven het theater dat te denken geeft. In plaats van een brug te slaan, zou de staatssecretaris een dam moeten opwerpen tegen de vulgarisering, trivialisering en verplatting van het culturele klimaat. Als hij moedig was, zou hij niet het applaus willen oogsten van de massa die al krachtig genoeg voor zichzelf applaudiseert en elke dag het vermaak krijgt dat ze belieft, maar gefluit en boegeroep willen uitlokken door zich met rechte rug op te stellen als verdediger van al het elitaire moois dat in onze cultuur verloren dreigt te gaan en hoognodig bescherming behoeft, het liefst in de vorm van een krachtige tegenaanval. Hij zou, kortom, elitair moeten durven zijn want culturele volksmenners zijn er al genoeg. Hij zou zijn zorg moeten uitspreken over hoe overheersend de massacultuur en hoe sterk de druk tot popularisering op kunstenaars is geworden. Maar in plaats daarvan steekt hij voor de camera's heel populistisch de loftrompet over popmuziek (`waarom Wagner wel subsidiëren en de Rolling Stones niet'?) alsof die buitengewoon commerciële, assertieve en dominante uiting van jeugdcultuur van staatswege hulp zou behoeven. En dat alles onder de helaas achterhaalde noemer van `democratisering van cultuur'.

In plaats van voor democratisering van cultuur zou ik willen pleiten voor een `cultureel reveil'. Hoe moet het mooie verdedigd worden binnen een cultureel klimaat waar `intellectueel' een vies woord is geworden, klassieke muziek in reclamespots voor jonge, snelle producten geassocieerd wordt met saai, oud en seksloos, de literatuur overspoeld dreigt te worden door een neo-literair genre dat ergens tussen de streekromans en exotische sprookjes in zit, filosofie bespot wordt als de onbegrijpelijke prietpraat van wereldvreemde academici en moderne beeldende kunst steeds meer tot een lacherig itempje in het opgevrolijkte NOS-journaal verwordt? Dat is de vraag die mij al een tijd bezighoudt. Hoe kunnen de bedreigde cultuurgoederen beschermd worden tegen de massawals die alles verplat. Of: hoe moeten de liefhebbers van wat mooi, zeldzaam en broos is, zich verweren? Alle bloemen moeten bloeien, maar niet alleen de goudsbloemen van de massasmaak.

Hoe geef je aanstekelijk gestalte aan een culturele tegendruk? Als ik staatssecretaris van Cultuur was zou ik dáár eens goed over nadenken en niet over hoe de elitekunst ten behoeve van de massa verplat moet worden. De elitekunst moet niet naar jongeren, allochtonen en `mensen in de provincie' buigen, maar zíj moeten naar de elitekunst buigen, willen buigen en vooral, kunnen buigen. Elitekunst is niet alleen iets van vroeger, maar is alles wat verder reikt dan louter amusement en waar aanvankelijk inspanning voor nodig is en waarvan je pas kunt genieten nadat je je erin verdiept hebt. Maar welke jongeren, autochtone of allochtone, willen zich die inspanningen nog getroosten als ze er sociaal gemarginaliseerd door raken? Daar zit hem de kneep. Het is tijd voor verzet tegen de massamediale bejubeling van inferioriteit, tegen het opblazen van elk triviaal scheetje van een popmuzikant tot een culturele oerknal, tegen het verheffen van elk nihilistisch roepje van een rapper tot poëzie en tegen het opkloppen van elk uitspraakje van een beroemde voetballer tot een treffende, snijdende analyse van onze tijd. Een van overheidswege gestimuleerde culturele vorming zou moeten laten zien dat mediaroem wat anders is dan kwaliteit, dat een kunstenaar lang niet altijd van camera's houdt en dat een hang naar het grote publiek meestal dodelijk is voor kunst die hoger reikt dan het maaiveld. Wat nu nodig is, is een staatssecretaris van Cultuur die elitair durft te zijn, desnoods door zijn middelvinger op te steken voor de camera's van de commerciële pulpzenders.

Herman Franke is schrijver.Jongeren moeten naar de elitekunst kunnen buigen