De zoete lucht van Velika Krusa

In het Kosovaarse dorp Velika Krusa troffen Nederlandse militairen maandag een huis met twintig lijken aan.

,,Dat is mijn vader'', zegt Fadil Zeqiri. Tegen de muur ligt een lijk, half verkoold, half vergaan. In het huis in het Kosovaarse dorp Velika Krusa hangt een zachte, zoete lucht. In de lucht zwermen vliegen. Abdul Zeqiri is ruim twee maanden geleden vermoord door Servische militairen, zegt Fadil. Die militairen hielden zich tot eergisteren op in een huis aan een doorgaande weg. De 77-jarige Abdul Zeqiri was hun buurman.

Op een dag zijn de Serviërs zijn erf opgekomen, hebben hem mee naar buiten genomen en met een halsband vastgebonden aan één van zijn twee appelbomen. Kijk maar, wijst Fadil. Aan een tak van de boom hangt nog altijd een hondenketting. Abdul Zeqiri is, zo zegt zijn zoon, aan die boom doodgeschoten. Daarna hebben de Serviërs hem losgemaakt en hem zijn huis in gesleept. Het huis is in brand gestoken, met de dode man erin. Zo heeft zijn zoon hem vanochtend gevonden.

De 140 Nederlandse militairen van de elfde afdeling van de rijdende artillerie, bijgenaamd de `Gele Rijders', kwamen maandagochtend aan in het wijnstadje Orahovac in Kosovo. Er wonen nog zo'n drieduizend Serviërs en zesduizend Albanezen. Na gesprekken maandagavond met bataljonscommandant Van Loon verlieten de Servische paramilitairen en het Joegoslavische leger dinsdagochtend vroeg het stadje. Vanochtend zouden de Gele Rijders beginnen met patrouilles te voet.

De Nederlanders, die onder Duits commando deel uitmaken van de NAVO-macht K-FOR, hadden maandag ook contact met de lokale ondercommandant van het Kosovaarse bevrijdingsleger UÇK. Die beloofde dat zijn manschappen de vertrekkende Serviërs met rust zouden laten. Op aanwijzing van het UÇK troffen de Nederlanders 's avonds een massagraf aan in het nabijgelegen Velika Krusa.

In en rond het huis liggen circa twintig halfverbrande lijken. Circa twintig, want de lijken zijn verminkt en de ledematen zijn verspreid. Een nauwkeurige telling is niet mogelijk. Duitse militairen zetten maandagnacht het gebied rond het massagraf af. 's Ochtends zijn enkele Nederlandse militairen gaan kijken. Nu wachten ze op het speciale onderzoeksteam van het Joegoslavië-tribunaal uit Den Haag.

Velika Krusa is een welvarend Albanees dorp. De moskee is mooi, de huizen zijn groot, de restaurants zijn goed en de meeste mensen rijden in een auto. Maar dat is verleden tijd. De zeven huidige Albanese inwoners – ze waren gevlucht en zijn vanochtend uit de heuvels naar beneden gekomen – hebben een ruïne teruggevonden. Auto's zijn verbrand, bestolen, of simpelweg vernield. Er staan houten aanhangers in de straten, de bijbehorende tractoren hebben de Serviërs meegenomen. Op straat zwerven honden, katten en hanen. Ergens ligt het kadaver van een koe.

Een bom heeft een buitenmuur van een moskee getroffen. De brokstukken liggen binnen, de ruiten zijn stuk. De houten trap die de hodjia altijd beklom is kapot. Zo'n 150 Albanese Kosovaren hadden zich hier vrijdag 26 maart, twee dagen na het begin van de NAVO-bombardementen, verschanst, vertelt Shyqeri Dina. Maar de moskee bood de Kosovaren geen bescherming tegen de Serviërs. Zaterdagochtend kwamen ze binnen en namen de mannen mee naar buiten. Een aantal van hen is niet meer teruggezien.

In de loop van zaterdag en zondag zijn de vrouwen uit de moskee gehaald en op transport naar Albanië gezet. Rokken, blouses, onderbroeken, bh's en oorbellen liggen verspreid door de moskee. Drie houten wiegen zijn stukgeslagen.

De Serviërs hebben bijna alle huizen in Velika Krusa beschoten; de daken zijn verdwenen of vertonen grote gaten. Daarna zijn de woningen geplunderd en is de overgebleven huisraad vernield. Ook zijn veel huizen in brand gestoken. Op de muren van hun huiskamer hebben Serviërs hun eigen hakenkruis en een varken getekend. Veel Albanezen zijn moslim; ze eten geen varkensvlees.

De Serviërs hebben de inwoners duidelijk verrast. In veel keukens staat het eten nog op het fornuis, een pot zout en een aantal – inmiddels verrotte – tomaten er naast. Er hangt een lucht van bedorven voedsel en het stikt van de vliegen. Shyqeri Dina heeft in maart zich samen met zes andere mannen verstopt in een bunker in de heuvels. ,,In de nacht, als de Serviërs uit het dorp waren vertrokken, zijn we de huizen binnengegaan en hebben we eten uit de keuken gehaald. Ook namen we water mee.''

Uit een huis klinkt plots luid gesnuif. In een kleine kamer blijkt een koe te zijn opgesloten; zijn kop, besmeurd met schuim, steekt door de gebroken ruit. Een man maakt de deur open en de koe stuift naar buiten, dwars door de glasscherven die overal liggen.

De graven.

Bovenop de heuvel, achter de moskee, is een veldje. Daar staat een aantal houten, puntige paaltjes. Ze zijn genummerd met rode verf, 1 t/m 6. Er liggen ook zes hopen zand — pas gedolven graven. De eerste brandnetels komen al op. Aan de rand van het veld staat een boerenkar met kleding. Daartussen ligt het identiteitsbewijs van Ejup Hoti, nummer 057632. Een vergeelde foto van een man met een flinke haardos en bakkebaarden ligt er naast. Hij draagt een overhemd, een trui met blokken en een jasje. Misschien is het Ejup Hoti.

Aan het einde van de weg, bij het afgezette huis met de twintig lijken, trekt een Albanese Kosovaar de Nederlandse ritmeester Mike Bos aan zijn mouw. ,,Je moet meekomen'', zegt hij, ,,ik kan een plaats aanwijzen waar de Serviërs twintig mensen hebben vermoord''. Maar de ritmeester mag zijn post niet verlaten.

Gisteravond werd het huis met de lijken nog door enkele NAVO-militairen bewaakt. Het onderzoeksteam van het Joegoslavië-tribunaal werd vandaag verwacht. ,,Ik denk niet dat dit het enige massagraf is'', zegt ritmeester Bos. Hij krijgt gelijk. In het dorp Suvareka worden korte tijd later 39 verse graven gevonden.