Blaaspijp

Ik fietste de straat in en zag dat de leerlingen van de Grafische School verderop elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen waren. Ik moest dwars door dit kruisvuur om thuis te komen. Met één hand duwde ik mijn hoed vaster op het hoofd, boog wat dieper over het stuur en zette er, voor zover de sneeuw het toeliet, flink de sokken in. Toen ik de twee groepen passeerde, werden tot mijn stomme verbazing de vijandelijkheden gestaakt tot ik voorbij was. Amsterdam 1999. Ik kan me uit mijn eigen sneeuwballentijd geen dankbaarder doelwit herinneren dan een meneer met een hoed op.

Sneeuw lag er maar af en toe. Wilde je gedurende de rest van het jaar iets of iemand op afstand raken dan moest je met stenen gooien of gebruik maken van katapult, slinger, pijl en boog of blaaspijp. Wat dit laatste instrument betreft waren we waarschijnlijk geïnspireerd door de blaasroeren van de Amazone-indanen. De onze waren echter niet uit hout gesneden. Wij gebruikten een in die tijd nieuw product, de plastic elektriciteitspijp en in plaats van in giftig curare gedoopte pijltjes schoten we meestal met pijltjes die we maakten van reepjes papier. Deze rolde je een beetje schuin om een wijsvinger, trok het rolletje uit elkaar en kreeg dan een puntig pijltje van zo'n 20 cm lengte. Het laatste flapje papier bij de punt diende goed natgelikt te worden en daarna vastgeplakt waarna de hele punt nog even in de mond rondgedraaid werd voor een optimale hechting. Het is denk ik meer dan veertig jaar geleden dat ik voor het laatst zo'n pijltje heb gedraaid, maar binnen een minuut liggen er twee mooie puntige exemplaren op mijn bureau. Alsof de beweging in de vingers is vastgelegd.

Was het pijltje eenmaal goed dichtgeplakt, dan werd hij in de pijp geschoven tot hij niet verder kon en vervolgens op dat punt afgescheurd en weer mooi rond gemaakt. Op deze manier werd alle blaaskracht gebruikt. Het bereik van de pijltjes lag zo tussen de 20 en 30 meter en we schoten op alles en iedereen, maar vooral openstaande ramen waren favoriet. Zo trokken we, meestal in een groepje, door het dorp, de witte blaaspijpen in de hand en een bundeltje uit een tijdschrift gescheurde stroken papier achter broekband of riem.

Aan het eind van de zomer werden de papieren pijltjes vervangen door witte bessen die overal in de tuinen en langs de weg groeiden. Ze pasten vaak precies in de pijp en je kon er een paar achter elkaar inschuiven. Zodra de bessen doel troffen spatten ze in een grijze smurrie uit elkaar.

Niets was er spannender dan van achter een heg een passerende auto onder schot te nemen. Wanneer de geschrokken bestuurder zich achter de plotsklaps troebele ruitjes realiseerde wat er was gebeurd, moest je vaak rennen voor je leven.