Varkensrechten

ARROGANT EN IMMOREEL. Zo noemen critici de wet herstructurering varkenshouderij die april vorig jaar werd aangenomen. De nieuwe minister van Landbouw, Brinkhorst, houdt aan deze wet vast, ook na de uitspraak van het gerechtshof in Den Haag vorige week. Het hof bevestigde dat de varkenswet buiten werking blijft tot er uitspraak is gedaan in het zogeheten ,,bodemgeschil'' dat de varkenshouders hebben aangespannen. Dat kan nog wel even duren.

Vasthouden is derhalve arrogant, zeggen de tegenstanders. De vorige minister, Apotheker, trad af wegens gebrek aan steun in het kabinet voor zijn plan de varkenshouders tegemoet te komen met een afkoopregeling. Hij noemt de wet nu ronduit immoreel. Het struikelblok is een adequate schadevergoeding voor de beoogde reductie van de varkensstapel met vijfentwintig procent, een vereiste dat de rechter eind vorig jaar op tafel legde met een beroep op het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Laat de invulling hiervan maar aan de advocaten van de varkenshouders over. Zij speculeren er al lustig op los, niet alleen over de waarde van die vijfentwintig procent reductie, maar ook over ,,overige bedrijfs- en inkomensschade'' en zelfs belastingschade.

Op het beginsel ,,geen onteigening zonder schadevergoeding'' zijn echter uitzonderingen mogelijk als er sprake is van buitengewone omstandigheden. Die behoren in de morele afweging mee te tellen. De sanering is niet los te zien van de varkenspestepidemie van 1997/1998. Miljoenen dieren moesten worden afgemaakt, grotendeels op kosten van de gemeenschap. De opkoopregeling alleen al kostte toen 1,9 miljard gulden overheidsgeld. Dat schept verplichtingen.

Er is geen reden de moeilijkheden van varkenshouders te bagatelliseren; in de Tweede Kamer is wel een vergelijking getrokken met de plagen van Egypte. Maar het is niet vanzelfsprekend de rekening van de sanering eenzijdig aan de overheid te presenteren. Voorafgaand aan de epidemie was sprake van een ,,roze invasie'', zoals andere Kamerleden het noemden. Door de varkensstapel steeds verder uit te breiden heeft de sector zelf enorme risico's genomen. Ook na de voor hen gunstige rechterlijke uitspraken is de reflex van de bedrijfstak veeleer om snel de hokken te vullen dan zichzelf een verstandige beperking op te leggen.

Het is niet alleen de pest, maar ook de mest. Het hameren op de verworven (mest)rechten steekt schril af bij de pijnlijke ombuiging van de sociale zekerheid in de jaren tachtig en negentig. Werknemers die in de WAO waren geschoven met de verzekering dat dit de beste oplossing voor hen was, werden op grond van veranderde wetgeving fors ,,afgeschat''. Het beroep op verworven rechten baatte niet. De wal moest het schip keren. Deskundigen spraken van het ,,nu-is-het-genoegeffect''.

HETZELFDE KAN worden gezegd van het ,,mestmoeras'', zoals vier jaar geleden de titel luidde van een boek over het mestprobleem. De overheid heeft daar zelf aan bijgedragen met een warwinkel van voorschriften. Maar dat kon ook van de sociale zekerheid worden gezegd.

Typerend voor de strijd zijn de zogeheten latente mestrechten. Dat is het verschil tussen de niet-grondgebonden mestrechten die een bedrijf afhankelijk van zijn opgaven in het verleden bezit en het feitelijk aantal dieren. Deze ruimte is vervallen verklaard door de varkenswet. Latente rechten zijn verhandelbaar en komen dus in beginsel in aanmerking voor de geëiste schadevergoeding. Maar zo'n tegemoetkoming voor niet-bestaande dieren doet vooral denken aan de speculatieve tulpenhandel uit de 17de eeuw.

De nadruk op rechten die de varkenssector nu legt, contrasteert met de traditie van dwarsliggen en regelrechte ongehoorzaamheid uit eerdere fasen van de strijd die de varkenshouders tegen de mestwetgeving hebben gevoerd. Ook dit ervaringsfeit wijst in de richting van een generieke saneringsmaatregel. Het verwijt van arrogantie is in dit verband gevaarlijk. Brinkhorst is een expert in het Europese recht, die zeker niet blindvaart op het ambtelijke apparaat dat hij aantrof.

Het verwijt van arrogantie laat zich ook omkeren, richting rechterlijke macht. Dat de Haagse rechter in een tussenvonnis de discutabele eis van schadevergoeding zo compromisloos poneerde, is niet direct een blijk van rechterlijke terughoudendheid. Dat de toepassing van de wet vervolgens werd geblokkeerd in afwachting van een einduitspraak, lag zeker in de lijn. Maar de rechter verbood de staat in februari zelfs enige druk op de ketel te houden door varkenshouders bij het verhandelen van hun rechten te vragen om een `verklaring van geen bezwaar'. Uit zo'n verklaring blijkt dat de betrokken ondernemer zich bewust is van het juridische risico dat hij loopt. Wat kan een rechter daar tegen hebben? Die verklaring was niet verplicht. Vragen staat vrij.

DE OMSTREDEN varkenswet heeft het karakter van een stelselwijziging. Dat is rechtsfilosofisch gezien juist zijn bestaansrecht. Het is, zoals de hoogleraar bestuursrecht Ruiter tijdens het debat over de ombuiging van de sociale zekerheid opmerkte, een functie die alleen de wetgever toekomt om ,,een door het recht beschermd verleden te doorbreken op momenten dat een samenleving een onbelaste toekomst behoeft om zich te kunnen vernieuwen. Zonder deze functie zaten wij vandaag nog met de privileges uit de tijd van de Republiek of met de slavernij, omdat de daarbij verkregen rechten in het geding waren''.

Waar varkenshouders en hun adviseurs opkomen voor een deelbelang, moet de staat ruimte blijven houden om een nieuwe weg in te slaan. En dat is arrogant noch immoreel.