Economisch reveil zet beurzen op scherp

Van Duitsland tot Japan blijkt dat de economische dip in het eerste kwartaal lang niet zo erg is geweest als gevreesd. Of beleggers daar blij mee moeten zijn is een tweede. Ook de zomer 1999 belooft spannend te worden op de beurs.

Bang geweest voor niets? Wat een beroerd eerste kwartaal moest worden voor de wereldeconomie, blijkt flink te zijn meegevallen. Van de Verenigde Staten was al bekend dat de economie in het eerste kwartaal ijzersterk was, met een jaar-op-jaargroei van 3,9 procent. Ook Nederland liet een voor velen verrassend sterke groei van 3,0 procent zien in het eerste kwartaal, Duitsland volgde vorige week met de publicatie van 0,7 procent groei, en toonde met een positieve kwartaalgroei aan dat een recessie is vermeden. Japan leek vrijdag dat het pad omhoog weer gevonden lijkt met een groei van 0,1 procent in het eerste kwartaal. En gisteren kwam Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, met de publicatie van 1,8 procent groei voor de eurozone. Nu is dat cijfer van 1,8 procent niet geweldig, maar de zware wereldwijde dip die was voorspeld komt niet uit. Analisten zijn dit jaar vooral bezig geweest hun economische prognoses naar boven bij te stellen.

Goed nieuws dus, maar is het ook goed nieuws voor beleggers? Voor wat betreft het Damrak zijn er drie factoren geweest die de koersen hebben beïnvloed: het renteklimaat, de dollarkoers en de winstontwikkeling van beursgenoteerde bedrijven. Het effect van een hogere economische groei op die drie factoren lijkt per saldo niet erg gunstig voor de aandelenmarkt.

Het renteklimaat is de laatste drie maanden duidelijk verslechterd. Noteerde de kapitaalmarktrente in Nederland eind januari nog 3,78 procent, de rente is inmiddels opgelopen naar boven de 4,5 procent.

De reden daarvoor is nog onduidelijk: analisten van ABN Amro wezen onlangs op een bijna volledige correlatie die er recentelijk is tussen de beweging van de kapitaalmarktrente in de Verenigde Staten en die in Euroland - waar Nederland nu deel van uitmaakt. Obligatiemarkten zijn zeer liquide en gedragen zich, meer nog dan aandelenbeurzen, soms verrassend eensluidend.

Dat de kapitaalmarktrente in de VS stijgt, tot bijna 6 procent, komt door de recente bezorgdheid dat de inflatie daar na een langdurige afwezigheid toch de kop opsteekt. Morgen is een cruciale dag: dan moet het Amerikaanse inflatiecijfer over mei aangeven of het cijfer over april – een onverwachte stijging naar 2,3 procent inflatie -–een eenmalige gebeurtenis was of het begin van een trend. Is het een trend, dan verwachten beleggers dat de Amerikaanse centrale banken, de federal Reserve Board, na de eerstvolgende bijeenkomst op 29 juni de geldmarktrente omhoog schroeft. Terecht of niet, de Europese rentemarkten schrikken daar doorgaans bijna even hard van als de Amerikaanse zelf. In februari 1994 leidde een renteverhoging in de VS ook tot een wereldwijde slachting op de obligatiemarkt.

Of er in Europa zelf een lokale reden is voor een stijging van de rentes valt nog te bezien. De inflatie loopt wat op, maar is met krap 1 procent voor het eurogebied nog steeds laag. Vaak geeft de rente op de kapitaalmarkt aan dat beleggers een hogere toekomstige economische activiteit verwachten, en wat dat betreft is de stijging van de rente een logische metgezel van de oplevende conjunctuur.

Die oplevende conjunctuur in Europa staat weer aan de basis van de meeste verwachtingen voor de euro-dollarkoers. De euro is het laatste halfjaar erg verzwakt, tot een koers van 1,03 euro per dollar. De gangbare verklaring, die ook binnen de Europese Centrale Bank wordt gehuldigd, is dat de Amerikaanse economie zich sterker heeft ontwikkeld dan de Europese. Het logische vervolg daarop is dat, wanneer de Europese economie in de loop van dit jaar verder versterkt en de Amerikaanse vertraagt, de euro in de loop van dit jaar weer sterker wordt.

De sterke dollar is de laatste maanden een steun geweest voor de aandelenkoersen aan beide kanten van de Atlantische Oceaan. In de VS hopen beleggers dat de krachtige dollar via lagere invoerprijzen de inflatie in toom houdt. In Europa verdienen exporterende bedrijven door de zwakke euro meer geld, en de winsten van buiten-Europese dochterondernemingen leveren terugvertaald in euro's meer op.

Een scenario van oplopende economische groei kan de stemming op de beurzen, via oplopende rentes en een draai in de euro-dollarkoers, dus danig verpesten. Het goede nieuws zit hem daarentegen in de bedrijfswinsten, die in principe profiteren van aantrekkende economische groei. Zo ziet de effectenbank Morgan Stanley een gemiddelde winstgroei per aandeel van 12 procent voor de Nederlandse markt dit jaar, en nog eens tien procent in het jaar 2000.

De vraag is in hoeverre dat goede nieuws al lang in de koersen zit. De gemiddelde koers-winstverhouding bedraagt nu voor de AEX-index rond de 33, en ligt op basis van de verwachte winst voor 1999 op 30.

Ten opzichte van de nu geldende, opgelopen rente op de kapitaalmarkt lijkt de waardering van aandelen af te stevenen op de hoogterecords van tijdens de campinghausse in de zomer van 1997.

Zo kan het goede nieuws uit de reële economie zorgen voor slecht nieuws in virtuele economie van de financiële markten, en gaan beleggers voor het vierde jaar achtereen een spannende zomer tegemoet. Zorgeloze vakanties zijn er ook al niet meer bij.