CPB is sleutel tot een betrouwbare politiek

De gangbare kritiek op de methoden waarmee het CPB verkiezingsprogramma's van politieke partijen in ons land doorrekent is onterecht, vindt Michiel Scheffer. Het rekenmodel van het CPB is volstrekt onpartijdig en getuigt in alle gevallen van goedgemaakt huiswerk.

Het katten op de uitkomsten van de doorrekeningen van verkiezingsprogramma's is een van de rituele dansen in onze vaderlandse politiek. Opvallend daarbij is echter dat de klachten steevast afkomstig zijn van die partijen voor wie die doorrekeningen ongunstig zijn. Eenzelfde lot is overigens sinds kort ook de doorrekeningen van het RIVM beschoren.

De klachten zoals vertolkt door het Tweede-Kamerlid voor het CDA Hans Hillen (NRC Handelsblad, 7 juni) getuigen echter van naïveteit en verkeerde verontwaardiging. In elk geval geven zij impliciet aan dat het CDA, anders dan de politiek leider van deze partij de laatste weken herhaaldelijk heeft verkondigd, nog geen inlogsleutel voor de macht verlangt.

Het doorrekenen van verkiezingsprogramma's behoort tot een van de kenmerken van een volwassen politiek. Immers, door het aanbieden van een financiële onderbouwing en het doorrekenen van hun programma's geven partijen een degelijke onderbouwing aan de politieke voorstellen.

Daar waar politiek om de machtsvraag draait, is het ook zaak om de kiezers een beeld te geven van de – in elk geval theoretische – uitkomsten van het programma. Door dit in Europa overigens unieke gebruik geven de serieuze politieke partijen aan dat programma's de kiezer geen luchtballonnen voorhouden.

De klacht dat het rekenmodel van het CPB partijdig is, is onzinnig. Mijn ervaring met D66 bij het laten doorrekenen van het verkiezingsprogramma door het CPB is dat door dit instituut op een zeer voorspelbare manier wordt gewerkt. Kennis hebben van de vorige doorrekening geeft al veel inzicht in de factoren waarmee rekening moet worden gehouden. Het is dan aan de programmacommissies van de partijen om hun huiswerk goed te doen. Dat is een opgave voor deze goedwillende amateurs, zij het geen onmogelijke.

Voor het CPB pleit ook dat zeer zorgvuldig en uitgebreid overleg wordt gevoerd, zodat de partijen in staat zijn zich van tevoren te vergewissen van de uitslag. Het is dus niet zo dat men alle konijnen in een hoed stopt en blij moet afwachten of er een varken of een kip uitkomt. Tenslotte werkt het CPB op een zeer discrete wijze. Dat VVD, PvdA en D66 met dezelfde uitkomst komen qua lastenverlichting, is geen doorgestoken kaart, maar getuigt van goed huiswerk.

Daarmee is evident dat de politiek smalle marges heeft. Dat komt niet zozeer door het politieke proces, maar vooral door het bestuurlijk vermogen van de politiek om die marges te verleggen. Een ervaren doorrekenaar weet dat de ruimte voor nieuw beleid op nationaal niveau ergens tussen de 8 en de 12 miljard gulden ligt. Dat is grofweg 5 procent van de rijksbegroting. Elke ondernemer of bestuurder van een vereniging weet overigens dat dergelijke verschuivingen in inkomsten en/of uitgaven grote reorganisaties vergen. Bezuinigingen van meer dan 1 miljard zijn grote bestuurlijke operaties. Maar ook extra uitgaven van een vergelijkbare omvang zijn buitengewoon moeilijk op een verantwoorde manier uit te voeren als men geen geld over de balk wil smijten. In die zin was een zeer ambitieus programma als dat van GroenLinks bestuurlijk naïef te noemen.

Hillen heeft gelijk als het gaat over de bepaling van de waarden en normen die de politiek zelf hanteert. De politiek dient de haalbaarheid van haar wensen te laten onderzoeken, maar nooit de wenselijkheid zelf. De laatste jaren heeft de politiek zich in een keurslijf geperst dat gaandeweg heeft geleid tot bloedarmoede. Dit was overigens wel nodig nadat de kabinetten Van Agt en Lubbers Nederland hadden opgezadeld met jarenlange forse begrotingstekorten en een aanzienlijke staatsschuld. De eerste investering in een nieuwe generatie die Paars I heeft gedaan is het dynamisch maken van de economie, onder leiding van de toenmalige minister van Economische Zaken Hans Wijers, en het op orde brengen van de overheidsfinanciën door de bij het CPB gevormde minister van Financiën, Gerrit Zalm.

De tweede investering die is gedaan is die in mensen, in kansen, in kennis en in talent. Dat is de grote uitdaging voor het jaar 2002. De vraag is dan wel of in 2002 hetzelfde paradigma van maximale lastenverlichting leidt tot de door de politiek vaak verlangde maximale werkgelegenheidsgroei. Meer dan vroeger is in 2002 het bieden van kansen aan hen die nu aan de kant staan geen zaak van financiële prikkels alleen. Wel zal het een zaak zijn van kwalitatief goed beleid in het lager, middelbaar en hoger onderwijs, door een actieve integratie van hen die in Nederland een veilig huis vinden of van hen die door handicap of ziekte buiten het arbeidsproces zijn komen te staan. Die politiek vraagt zowel om een radicale modernisering van de overheid als om ruimte voor het ontstaan van een markt die talent echt kansen biedt. Een dergelijke politiek stelt niet de overheid centraal en gelooft evenmin heilig in de markt, maar vertrouwt in het zelf-organiserend vermogen van burgers. Die politiek is een sociaal-liberale politiek.

Dr. M.R. Scheffer is voorzitter van de programmacommissie van D66.