Benny Hill's dood op een zolder

`Het straattheater is dood' proclameerde Pieter Post, befaamd straatartiest en -regisseur in een van de forumgesprekken die het Oerol-festival 's ochtends, voor de voorstellingen beginnen, in de spiegeltent belegt. Zijn collega's gaven hem gelijk en ongelijk. Straattheater in zijn oervorm, dat wil zeggen `zomaar' op een plein een afgeronde voorstelling geven voor een willekeurig publiek, is inderdaad zo goed als verdrongen door vuurvreters, levende standbeelden en steltlopers. Daarentegen heeft het straattheater een hoog niveau in een georganiseerde vorm, dat wil zeggen op festivals en bij evenementen, waar de artiesten niet langer à l'improviste komen, maar zich laten engageren en `verschijnen'.

Op Oerol wordt helder dat straattheater niet buiten de straat kan, dat locatietheater het moet hebben van een uitgekiende plek die een eigen rol speelt, en dat die twee werkelijk iets anders zijn.

Zo vergaloppeert het Vlaamse duo Wurre Wurre zich, door hun show niet langer buiten, waar ze geweldig waren, te situeren, maar voor een kaartjes kopend publiek op een boerenzolder. Nog steeds zijn ze grappig, al zijn ze wel erg schatplichtig aan de stripartiest Kamagurka. Maar hun grollen, zo meeslepend op straat en plein, vallen plat in de benauwde sfeer onder het schuine dak. En al te doorzichtig is hun illusionistische gein, die onbeschermd in de buitenlucht zo vermocht te verbazen, maar hier al te doorzichtig is en bovendien ontmaskerd wordt door de verbijsterende gemakzucht waarmee beide mannen rekenen op hun charme.

Daarentegen is op een vergelijkbare zolder Benny's Hill perfect op zijn plek. Don Duyns van het gezelschap Growing Up in Public schreef en regisseerde dit stuk over de tv-komiek Benny Hill. Op elkaar gepropt in de ruwhouten pijpenla die het heeft bereikt via een heel steile trap, tuurt het publiek met het hoofd tussen schouders alsof het in een tunnel kijkt naar een klein podium. Daar ziet het steeds meer coulissen vallen, samen met het decorum van Benny Hill, billenknijper en excellent verteller van moppen die beginnen met de onsterfelijke zin `komt een vrouwtje bij de dokter'. Acteur Dick van den Toorn geeft de Engelse komiek eerst hilarisch gestalte, gaandeweg meer azijnig en ten slotte, als blijkt dat we getuige zijn van diens sterfnacht, dieptragisch. ,,Zuster, ik heb het zo kou-houd'', klaagt hij tegen een verpleegster die nooit komt. Hij kankert op iedereen die hem in de steek liet, stelt vast dat flauwe grappen maken ook een kunst is en piept angstig: ,,Het licht aan het einde van een tunnel kan ook een aanstormende trein zijn!'' Op dat moment vloeien plek en voorstelling ijselijk ineen.