Anarchie op Landbouw

en minister die zich op een essentieel punt van beleid van zijn politieke achterban vervreemdt, raakt van de ene op de andere dag zijn politieke vrienden kwijt. Dat is een hoofdwet van de politiek. Minister Apotheker is op die wet stukgelopen en likt nu zijn wonden in eenzaamheid. De afgetreden minister van Landbouw had een soepeler saneringsplan voor de varkenshouderij uitgebroed dan het vorige kabinet zonder echter de politieke voorwaarden daarvoor te scheppen. Het had wel de instemming van de varkenshouders, maar niet van zijn medeministers en zijn partijgenoten in de Tweede Kamer. Hij had daarmee zijn machtsbasis verwaarloosd en daar staat nu eenmaal de politieke doodstraf op.

De achtergebleven staatssecretaris van Landbouw (nog niet zo lang geleden zou zo'n functionaris bij het vertrek van de minister gelijktijdig ontslag hebben gevraagd, maar dat gebeurt tegenwoordig niet meer) heeft ook moeilijkheden met haar politieke vrienden. Maar zij heeft vooral een legitimiteitsprobleem bij haar ambtelijke achterban. Mevrouw Faber is door haar eigen troepen in de rug aangevallen en zij heeft zich daartegen verweerd door haar ambtenaren in het openbaar lik op stuk te geven. Tegen het verwijt van een lakse reactie op de dioxinebesmetting van Belgische kippen heeft zij aangevoerd dat zij bij de eerste meldingen niet wist hoe ernstig de besmetting was en pas maatregelen kon nemen toen zij concreet van de ernst op de hoogte werd gebracht. ,,Ik wist het niet eerder'', betekent uit de mond van een staatssecretaris zoveel als: ,,Ik ben niet tijdig door mijn ambtenaren ingelicht''. De Kamer nam genoegen met Fabers verdediging, maar op dit punt had enig aandringen op precisie meer in de rede gelegen. Op welke datum was zij ingelicht?

Het verweer van de staatssecretaris lokte een ongebruikelijke tegenspraak van een van de interne organen van Landbouw uit. De ondernemingsraad van het departement verspreidde een publieke verklaring, waarin Faber ervan werd beticht sinds eind april al van de mogelijke dioxinebesmetting op de hoogte te zijn geweest, maar die informatie nog weken lang voor zich te hebben gehouden. Volgens de ondernemingsraad verscholen ,,de politiek verantwoordelijken zich achter de ambtenaren'' en speelden zij de zwarte piet door naar het ambtelijk apparaat. ,,Zo wordt het ministerie in opspraak gebracht''.

Weliswaar is die verklaring, zoals de Watergate-woordvoerder van Richard Nixon placht te zeggen, niet langer operationeel (ingetrokken), maar dat doet aan de ongepastheid van de verklaring niets af. De ondernemingsraad van Landbouw is geen orgaan dat met de uitvoering van beleid iets te maken heeft, maar dat maakt de verklaring des te erger. Het moet daar op Landbouw een janboel zijn dat een dergelijk orgaan zo'n krankzinnige verklaring kan uitgeven. Dat geldt niet minder voor de extraterritoriale bemoeizucht van de landbouwattaché in Londen, die zich een week geleden met een even ongehoord staaltje van anarchie in de discussie mengde en de minister (die net zijn ontslagbrief had ingediend) publiekelijk een trap na gaf. Om maar te zwijgen van een voorlichtingsambtenaar (de hoogste) die zijn minachting voor Apotheker niet onder stoelen of banken stak en zich op de persconferentie naar aanleiding van diens ontslag demonstratief van hem distantieerde.

Ambtelijke anarchie, persoonlijke deloyaliteit, achterhouden van informatie, openbare insinuaties over de politieke leiding – het is niet het gangbare beeld van de overheidsdienst dat ons in de dioxinekwestie wordt voorgezet. Het is ook niet het beeld van de overheid. Het is wel het beeld van het ministerie van Landbouw, waar de regie over de bedrijfscultuur en de interne discipline een zwakke hand vertoont. Spanningen tussen de politieke leiding en de ambtelijke top zijn van alle tijden en komen op de beste departementen voor. Gezonde ministeries slagen er in de regel in die tegenstellingen binnenboord te houden. Het tegenwoordige Landbouw is een ongezonde uitzondering op die regel. Het is te simpel om dat toe te schrijven aan het hoge technocratische gehalte van het departement, dat in opstand komt zodra het te maken krijgt met een politieke leiding die niet gewoon is mee te denken met het klassieke groene front. Landbouw is van oudsher een organisatie met een reputatie van zakelijkheid en vakbekwaamheid en een overwegend Brusselse oriëntatie. Dat die kwaliteiten in de afgelopen weken overschaduwd zijn door ambtelijke opstandjes hoeft geen grote betekenis te hebben. Het kunnen incidenten zijn geweest, maar in dat geval moet de departementale leiding daar met de grootst mogelijke nadruk afstand van nemen.

Dat alles neemt niet weg dat ook Faber in de dioxinekwestie allerminst heeft uitgeblonken door sterke politieke regie. Na de schuldafwenteling op haar ambtenaren is het zaak dat zij bij zichzelf te rade gaat. Het zou geen kwaad kunnen als haar collega's dat ook doen. Faber is niet de enige die de kunst van het overtuigen van haar ambtenaren niet beheerst, dat geldt ook voor andere ministers en staatssecretarissen. Het is ook niet zozeer de zwakke stee van Paars-II als wel van de politiek in het algemeen.

Kabinetten schijnen op dat terrein nooit te leren van hun voorgangers. Ik herinner nog maar eens aan de waarschuwingen van Tjeenk Willink, de vice-voorzitter van de Raad van State, die in een vorige functie het probleem aan de orde stelde van bewindslieden die aan een ministerschap beginnen zonder enige ervaring met of kennis van het ambtelijk apparaat. ,,De ambtelijke invloed wordt extra groot door de gebrekkige kennis en ervaring bij nieuw aantredende ministers met het functioneren van departementen'', schreef hij in zijn opstel De kwaliteit van de overheid (1989). ,,Over hun eigen functie daarin wordt weinig nagedacht.'' Die conclusie gaat nog steeds op, evenals zijn naschrift waarin hij een ambtenaar citeerde: ,,De minister kent zijn eigen departement niet.''