Varkensplan Apotheker moet alsnog worden uitgevoerd

Het alternatieve plan van oud-minister van Landbouw Apotheker, dat de gedwongen inkrimping van de varkensstapel ongedaan maakt, moet alsnog door het kabinet worden aanvaard, vindt Pieter de Haan.

De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Landbouw, is nu voor de vierde maal door de Haagse rechter in het ongelijk gesteld inzake de Wet Herstructurering Varkenshouderij. De stand is dus 4-0 voor de varkenshouders, met als gevolg dat de chaos nu wel compleet is. Varkens en kippen lopen momenteel vrij rond in de Augiasstal die het departement inmiddels is. De nieuwe minister van Landbouw, L.J. Brinkhorst, is ongetwijfeld samen met zijn juridische medewerkers druk bezig met het opnemen van de schade.

Ditmaal geldt het een spoedappèl van de staat tegen het kortgedingvonnis van de Haagse rechtbank, waarbij de wet voor het belangrijkste deel is geschorst. Of – zoals het in de termen van artikel 94 Grondwet heet – buiten toepassing verklaard wegens onverenigbaarheid met het eigendomsartikel, behorende bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Het Haagse gerechtshof heeft deze schorsing gehandhaafd op dezelfde grond, maar ook vanwege de onrust en financiële problemen die de wet bij de varkenshouders heeft veroorzaakt. Dat betekent tevens het einde van alle illusies die het paarse kabinet ondanks het vertrek van minister Apotheker nog steeds ten onrechte meende te mogen koesteren over een mogelijk gelijk dat te verkrijgen was bij de beroepsrechter. Weliswaar moet er in de bodemprocedure nog definitief beslist worden over het recht van de varkenshouders op schadevergoeding, maar de kenner van het Europees recht Brinkhorst zal met zijn kennis van de jurisprudentie van het Europees hof in Straatsburg voldoende beseffen dat zich hier geen buitengewone omstandigheden voordoen, die het ontbreken van een schaderegeling zouden rechtvaardigen.

Op 2 maart jongstleden heb ik in deze krant naar aanleiding van de schorsing door de president van de rechtbank een oproep gedaan aan de toenmalige minister Apotheker om niet eerst met een noodwet te komen, zoals zijn aanvankelijke plan was, maar direct met een herziening van de varkenswet zelf. Daarbij zou dan de voornaamste angel uit die wet moeten worden gehaald, namelijk de generieke korting van maximaal 25 procent op de varkensrechten zonder schadevergoeding. In plaats daarvan zou hij zijn doel kunnen bereiken via een royale opkoopregeling, gecombineerd met de nodige afroming van varkensrechten bij overdracht en een verbetering van het veevoer. Al dan niet mede door deze aanbeveling geleid, is minister Apotheker eind maart/begin april vier keer gaan praten met vertegenwoordigers van de sector. Dit heeft geleid tot de opstelling van een alternatief plan met de hierboven genoemde strekking. Op 16 april 1999 is dit plan na het nodige vooroverleg in de ministerraad besproken. Maar vooral door toedoen van de ministers Van Aartsen en Zalm en ook de minister-president kreeg het onvoldoende steun. In plaats daarvan wilde men de resultaten van het spoedappèl tegen de schorsing en eventueel ook het appèl in de bodemprocedure over de schadevergoeding afwachten.

Intussen staat niet alleen de wet, maar ook het daarop gebaseerde beleid tot inkrimping van de varkensstapel praktisch stil. Wat er nog van over is, geschiedt, na oplegging op 4 mei j.l. van de dwangsom door de president van de rechtbank tegen verdere uitvoering, eigenlijk clandestien. Althans geheel in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze beginselen verzetten zich tegen het maken van onderscheid tussen leden van het Nederlands Verbond van Varkenshouders (NVV) die volgens de uitspraak niet en anderen die, volgens een brief van de minister aan de Tweede Kamer, wel met de uitvoering lastiggevallen kunnen worden. Hoe het ook zij, een en ander is aanleiding opnieuw een oproep te doen om aan de ontstane politieke en maatschappelijke misère een einde te maken. Ditmaal is die oproep niet alleen gericht aan de nieuwe minister en zijn juridische staf, maar ook aan het kabinet als geheel en de Tweede Kamer – en dan vooral aan het liberale smaldeel in beide organen.

Het alternatieve plan van oud-minister Apotheker moet alsnog worden aanvaard, omdat dit de enig begaanbare weg is om uit het varkenswetmoeras te komen. Dit plan met als kern de verwijdering uit de wet van de gedwongen inkrimping van de varkensstapel, behoeft op enkele punten aanvulling. In de eerste plaats moet de wet aan twee kanten worden afgedicht. In het tussenvonnis van de Haagse rechtbank van 23 december 1998 zijn namelijk twee zwaarden van Damocles boven de wet gehangen. Het ene betrof de kwestie van de onverenigbaarheid met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens; het andere de mogelijke onverbindendverklaring van de wet wegens onvoldoende gerechtvaardigde afwijking van het Europese marktordeningsrecht. De vraag of het gestelde milieudoel van 14 miljoen kilogram fosfaatvermindering – door minister Apotheker in zijn alternatief plan overigens onverkort gehandhaafd – wel noodzakelijk en proportioneel was om deze afwijking te rechtvaardigen, is nog steeds niet tot bevrediging van de Haagse rechter beantwoord. Daarom dient dit doel bij de hierboven voorgestelde herziening opnieuw – en nu in de wet zelf – te worden geformuleerd. Tevens zouden alle resterende dwangmiddelen, waaronder ook de afroming van varkensrechten bij overdracht en een eventuele bevriezing van nog niet gebruikte rechten (de zogenaamde latente ruimte), uitdrukkelijk aan dit wettelijke doel moeten worden gekoppeld. Dit betekent dat de genoemde beperkingen van het productievolume niet verder mogen reiken dan voor de milieudoelstelling strikt noodzakelijk is.

Mijn tweede aanvulling betreft de noodzaak van het sluiten van een convenant met de beide organisaties van varkenshouders (LTO/Nederland en NVV) over de uitvoering van het nieuw geformuleerde wettelijke beleid. Deze organisaties zouden bij dit convenant de lopende juridische procedures moeten beëindigen en tevens de nodige inspanningsverplichtingen op zich nemen om de door de wet beoogde inkrimping van de varkensstapel zoveel mogelijk langs vrijwillige weg te bereiken. De grote verdienste van minister Apotheker is dat hij het – door zijn voorganger gefrustreerde – overleg met de landbouworganisaties weer op gang heeft gebracht. De nieuwe minister zal er goed aan doen dit overleg opnieuw op te starten. Het past ook volledig in het convenantenbeleid dat allerwege ook door dit kabinet op milieugebied wordt gevoerd.

De inbreuk op het grondrecht van de eigendom, zoals neergelegd in onze Grondwet (artikel 14) en het Europees Verdrag (Eerste Protocol), waar ook het gerechtshof zijn motieven voor de voortgezette schorsing aan ontleent, is echte liberalen onwaardig. Daarom zal niet langer het onvermijdelijke prestigeverlies van Van Aartsen als oud-minister van Landbouw de maatstaf van beoordeling mogen zijn. maar slechts dit grondrecht dat zozeer in de geschiedenis van het liberalisme is verankerd.

Prof.mr. P. de Haan is emeritus hoogleraar in het onroerendgoedrecht en het bestuursrecht aan de Technische Universiteit Delft en de VU te Amsterdam.