Polo met geitenkop

Als de muezzin zijn elektronische middaggebeden door de vallei van Gilgit laat rollen verontschuldigt Shamshad zich. De jonge Pakistaan moet snel weg want de wedstrijd begint straks. ,,Het leger speelt vanmiddag tegen de politie'', zegt hij opgetogen en baant zich een weg door de menigte. Het kleine stadion achter de moskee aan de Gilgit Rivier barst uit zijn voegen als de teams op hun paarden het veld opkomen. Het publiek biedt dezelfde aanblik als de straten van elke openbare gelegenheid in het Karakoram Gebergte: louter mannen, de meesten met lange, donkere baarden.

Bij een polowedstrijd in het ruige noorden van Pakistan is alles geoorloofd. De toeschouwers genieten van keiharde confrontaties, de struikelende paarden en de bloedende gezichten en ledematen van de polo-spelers, die in een grijze wolk van stof, kiezelstenen en zand een volstrekt onoverzichtelijk spel spelen – het heeft meer weg van een middeleeuwse oorlog dan van de moderne, chique wedstrijdsport die de Europeanen ervan hebben gemaakt. Hier, in het onherbergzame grensgebied tussen China en Pakistan, worden de traditionele polo-beelden van de groene weiden in Oxfordshire ruw vertrapt. Het is keiharde vechtsport, tribaal degradatie-polo aan de frontlijn, een combinatie van Australian Rules Football en Super Wrestling in een paardenstal, waar wilde krijgers elkaar krijsend naar het leven staan, onder muzikale begeleiding van een band met onbestemde blaas- maar vooral slaginstrumenten.

De enige spelregel blijkt te zijn dat een goal wordt gescoord tussen de doelpalen. Maar ondanks alles blijven het ridders onder elkaar: zodra een hinkende ruiter of een strompelende knol van de ene partij de arena moet verlaten stuurt ook de tegenstander een paard van het veld - om de balans van de wedstrijd niet te verstoren. Als de strijd na een uur is gestreden heeft het Pakistaanse leger gewonnen van de politie. Twee soldaten en een politieman hangen kreunend over een hek uit te hijgen.

Polo is – na cricket, maar dat is in Pakistan meer religie dan sport – het belangrijkste tijdverdrijf in het noorden van Pakistan, niet ver van de plek waar de sport bijna drieduizend jaar geleden moet zijn ontstaan. Volgens de overlevering was polo ooit bedoeld als training voor ruiters binnen de koninklijke legers van Perzië, waar het spel met tientallen deelnemers tegelijk werd gespeeld om zo goed mogelijk een echte oorlog na te bootsen. Maar polo was meer dan alleen een manier om soldaten en paarden fit te houden: in oorlogstijd lieten lokale krijgsheren in de Karakoram en het Hindukush Gebergte hun poloërs spelen met het hoofd van een verslagen koning. Voor sommige Noord-Afghaanse en Pathaanse stammen had polo ook een religieuze functie: voor de wedstrijd offerden de spelers een geit, waarna de teams de geitenkop als speelbal gebruikten en over het veld voortjoegen alsof het de duivel zelf was.

,,Polo was hier vroeger een volkssport'', zegt Shamshad, die buitenlandse bergbeklimmers begeleidt op de flanken van de Nanga Parbat. ,,Nu wordt het alleen nog door de rijkeren gespeeld, de grondbezitters. De arme boeren, de herders en de kleine handelaren komen alleen om te kijken'', zegt hij. In Noord-Pakistaanse plaatsen als Gilgit en Skardu in de regio Baltistan, waar ook het woord polo (bal) vandaan komt, spelen teams in de zomer één of twee keer in de week, meestal tegen dorpen stroomafwaarts van de Indus.

Maar paard of geen paard, de bewoners uit de meest afgelegen bergdorpen van Noord-Pakistan trekken allemaal één keer per jaar over de passen en langs de gletsjers om in de dorpen langs dit deel van de Zijderoute één van de grote toernooien te bezoeken. ,,Zo'n polotoernooi is voor veel mensen hun enige contact met de bewoonde wereld'', zegt Shamshad. ,,Ze komen naar de stad om hun jaarlijkse inkopen te doen op de markten, om vee te verhandelen en de laatste nieuwtjes te horen. Maar vooral om naar de mooiste sport ter wereld te kijken.''

Dit is de eerste aflevering van een serie over opmerkelijke buitenlandse sporten. Columnist Ben de Graaf is met zomerreces.