Onaf Nederland

Je kunt zeggen dat er niets hoeft te gebeuren. Er is al genoeg moois te beleven in onze theaters, concertzalen, musea en galeries. De juiste kunstenaars krijgen de juiste middelen om onze culturele behoeften te bevredigen, er is een fijnmazig netwerk van fondsen en besturen dat daarop toeziet, talent komt altijd boven drijven en krijgt automatisch een kans. Er is een innerlijke drang tot vernieuwing, er is, zoals Michael Zeeman het zegt (de Volkskrant, 5 juni) ,,een rusteloze zoektocht naar wat er nog niet was, naar het verrassende, het originele.'' Het beste, het schoonste, en het meest doordachte zegeviert, helemaal vanzelf. De Nederlandse cultuur is af. Een cultuurbeleid hebben we niet nodig, de staatssecretaris van Cultuur kan worden ontslagen, alles is geregeld en iedereen is tevreden.

In deze redenering kan het ontbreken van Turks toneel, Antilliaanse schilderkunst, Surinaamse muziek en Marokkaanse poëzie alleen worden verklaard uit het gebrek aan kwaliteit. En dat is, zeg ik met pijn in mijn hart, helaas waar. Hoe welwillend en edelmoedig je ook bent, je kunt de creoolse kawina of de hindoestaanse baithak-gana niet vergelijken met zelfs de meest matige uitvoering van Strawinsky.

Maar dat duidt er juist op dat de Nederlandse cultuur niet af is. Als er mensen zijn die kawina en baithak spelen, Nederlandse mensen wel te verstaan, terwijl ze geen gelegenheid krijgen om hun muziekvorm te ontwikkelen en te verfijnen, is er iets mis.

Turks toneel, ik kan met de beste wil ter wereld niet zeggen dat ik ervan kan genieten. Ik heb het een keer gezien, in een klein buurthuisje, en tot zover ik het kon verstaan, dankzij een tolk die zijn best deed, leek het op een melodramatische soap uit de middeleeuwen. Maar het buurthuis was wel vol. De toeschouwers die op plastic klapstoeltjes zaten lachten en klapten en gingen tevreden naar huis.

Moeten we hier iets mee? Moeten we het Turkse theater subsidiëren, opdat ze betere teksten schrijven, fraaiere decors bouwen en met fatsoenlijk licht werken? Nee, zeg ik, weer met pijn in mijn hart. Turks theater moet je niet in stand willen houden, je moet het uit de ellendige sfeer van folkloristisch amateurisme halen!

En zelfs dan zou ik niet tevreden zijn. Eigenlijk wil ik helemaal geen Turks Theater, zoals ik ook geen Nederlands theater wil. Ik wil theater, niet allochtoon en niet autochtoon. Een bewerking van `Freule Julie' door Turks-Nederlandse spelers, ja, dat lijkt me wel wat. En ik denk dat ze dat in dat buurthuis ook prachtig zouden vinden. We moeten niet de `eigenheid' stimuleren, maar de vermenging, de verbastering, fusion and all that jazz.

De Nederlandse cultuur is niet af, omdat Nederland niet af is. Nederland verandert, er komen steeds meer mensen bij die een ander verleden, een andere opvoeding en een andere kijk op de wereld hebben. Ze betalen belasting en ze tellen mee bij de verkiezingen. Waarom dan niet in het culturele leven?

Er moet dus iets gebeuren, maar wat en hoe? Moet je de gevestigde theatermakers dwingen om ook eens iets `allochtoons' op te voeren, de dj's van Radio 3 opleggen dat ze Cheb Khaled, Baba Maal en Shankar Mahadevan draaien, de subsidiefondsen verplichten Turken en Marokkanen in hun besturen op te nemen en van de musea eisen dat ze meer Surinamers en Antillianen naar binnen lokken?

Ik weet niet of dwang en drang hier helpt. Het liefst zou ik willen dat de cultuurmakers uit zichzelf inzagen dat het aanbod in Nederland wel erg Westers is en het publiek wel erg blank. Zoals ik ook zou willen dat allochtone kunstenaars uit zichzelf inzagen dat ze de kwaliteit van wat ze brengen drastisch moeten verbeteren. Of dat de jongeren en migranten uit zichzelf de nieuwsgierigheid kregen naar wat er in al die grote mooie gebouwen gebeurt. Ik zou willen dat iedereen uit zichzelf verfijning en beschaving zocht en kreeg.

Maar hoe leuk dit liberale idee ook is: het gaat niet vanzelf. Van der Ploeg heeft daarom twee voorstellen gedaan: meer variatie in het aanbod, waar hij vijftig miljoen voor reserveert, en een grotere diversiteit van het publiek, op straffe van een korting van drie procent op de subsidie.

Het boekje waarin hij dit oppert heet `Cultuur als confrontatie', en confrontatie heeft hij gekregen. Aantasting van de autonomie van de kunst, is geroepen. Maar kunst is zo autonoom als een ontwikkelingslandje: trots op de zelfstandigheid en intussen bedelen om hulp.

Dit is geen cultuurbeleid maar welzijnsbeleid, is geschreven. Maar in het welzijnsbeleid werden de allochtonen apart behandeld, wat leidde tot die verschrikkelijke verzuiling. Daar wil Van der Ploeg juist van af.

Ideologie keert terug in het cultuurbeleid, is gezegd. Als het willen beschaven van de mens ideologie veronderstelt, het zij zo. Onuitvoerbare plannen, verkondigde notabene de voorzitter van de Raad voor Cultuur: ,,Ik zie ons niet aan de deur van de theaters koppen gaan tellen.'' Maar diezelfde raad constateerde eerder dat allochtonen te weinig deelnemen aan cultuur. Hoe kwam de raad dat te weten, met een blinddoek om?

Volgens mij schuilen de problemen in de plannen van Van der Ploeg ergens anders. Tot beschaving moet je mensen verleiden, niet dwingen. En er zijn twee partijen die moeten worden verleid: de mensen op het podium en de mensen in de zaal. Als je Turken, Marokkanen en Surinamers in de theaterzalen wilt krijgen, zul je ze eerst moeten opleiden, ze laten snappen wat toneel is, ze smaak bijbrengen voor kunst. Dat duurt lang, maar het is uiteindelijk profijtelijker dan een strafkorting van drie procent.

Wat de mensen op het podium betreft: je kunt zeggen dat het beter kan. Wereldser, gedurfder, spannender. In het Nederlandse theater wordt niet te veel geëxperimenteerd, zoals sommigen beweren, maar te weinig. Ooit zag ik in Zimbabwe een bewerking van August Strindbergs `Freule Julie', alleen was Julie geen Zweedse edelvrouw die een arbeider verleidde, maar een blanke die een Shona-man op de mond kuste. De hel brak los in Zimbabwe, maar nooit meer zou men zo makkelijk over liefde denken.

Zal ik eens een voorstel doen? Die vijftig miljoen: besteed de helft aan talentvolle allochtonen en de andere helft aan talentvolle autochtonen. De allochtonen moeten ontsnappen aan folklorisme. Ze moeten brutaler worden, hun publiek provoceren, maar bovenal: schoonheid nastreven.

De autochtonen, onze gevestigde theatermakers, schrijvers en kunstenaars, moeten evenzeer ontsnappen aan folklorisme. Er is zoveel te beleven in de wereld. Laat ze verre reizen ondernemen, anderen leren kennen, van vreemden gaan houden. Ze zullen terugkomen en Nederland beschaafder maken.