Nog éénmaal vallen de Serviërs aan

Terwijl de Albanezen feest vierden in de straten van Prizren, probeerden de Serviërs de stad zo snel mogelijk te verlaten. Het liep bijna uit de hand.

De Joegoslavische eenheid valt nog één keer aan. Zij stormt, met de automatische geweren in de aanslag, luid schreeuwend naar voren. De Albanese bevolking van Prizren is volledig verrast. Het is zondag, drie uur in de middag, de mensen vieren al uren feest. Er klinken schoten. Het zijn waarschuwingsschoten van Duitse NAVO-soldaten die de aanval ook niet hebben zien aankomen.

De Joegoslavische eenheid wordt teruggedrongen. Zij wilde, zo zeggen de soldaten, de weg vrijmaken voor de Servische bewoners van Prizren. Die bekijken het feest gelaten, verscholen achter een hoop opgestapelde auto`s. Zij willen naar Servië vluchten, maar moeten daarvoor dwars door Prizren heen. De Albanezen zijn niet van plan hun Servische buren zonder slag of stoot te laten gaan. De enkele waaghals die de tocht onderneemt, keert al snel terug. De Albanezen schoppen, slaan, spugen en gooien met stenen. De ruiten van de auto's versplinteren.

Kosovo is vrij! De Kosovo-Albanezen in Prizren kunnen hun geluk niet op. Zaterdagnacht komen de Duitse NAVO-soldaten binnen, na een lange tocht door Kosovo. Die tocht voert door een verlaten land; de huizen zijn leeg, de deuren staan open, licht brandt nergens. De overgebleven bewoners, Serviër of Albanees, wagen zich niet buiten. De Serviërs zijn beducht voor NAVO-militairen en wraakzuchtige Albanezen. De Albanezen vrezen Servische militairen en agenten. Er bevinden zich naar schatting nog zo'n 36.000 man Servische ordetroepen in Kosovo, zwaarbewapend en gefrustreerd. Sommige huizen zijn kapotgeschoten, andere huizen zijn verbrand. Uit een raam wapperen zwarte flarden van wasgoed. Op de weg ligt verkoolde huisraad. Verlaten tractoren staan naast de kant van de weg; ernaast liggen kledingstukken, schoenen en delen van dekens. Het duidt op een overhaast vertrek. Er staan auto's, helemaal gestript. Geen motor, geen deuren, geen koplampen, geen stoelen meer. Drie auto's zijn in brand gestoken en liggen, halfgesmolten, op het asfalt.

Prizren zelf is redelijk ongeschonden. De Serviërs hebben weliswaar enkele winkels geplunderd, maar de huizen staan nog overeind en zijn niet in brand gestoken. Ook de moskeeën in de stad staan er nog. De stad, met ongeveer 150.000 inwoners voor de Kosovo-oorlog, kent nog een grote gemeenschap Albanese Kosovaren. Met honderden komen zij hun huizen uit om de NAVO-soldaten te begroeten. ,,Mijn vader en mijn broer zijn bijna drie maanden binnen gebleven. Ze waren bang te worden opgepakt. Mijn moeder en ik kwamen ook nauwelijks buiten. Maar jullie hebben ons gelukkig gemaakt'', zegt Vezire Maqitev.

De dorpen in de omgeving van Prizren lijken op het eerste gezicht meer te hebben geleden onder de Serviërs. Suva Reka bijvoorbeeld, is een spookstadje. De huizen zijn geplunderd, verlaten tractoren blokkeren de hoofdstraat. In Stimlje staat slechts één Albanese familie de NAVO toe te juichen. Even verderop staan de Serviërs bij hun tanks. Zij steken uitdagend hun duim, wijsvinger en middelvinger in de lucht – het Servische overwinningsteken. ,,Fuck NATO'', roepen zij.

Benzinestations, snackbars, marktkramen, restaurants, supermarktjes; alles is geplunderd, vernield, verbrand. De Albanese Kosovaren werden geweerd uit het openbaar bestuur, en hebben daarom hun heil gezocht in de handel. De Serviërs hebben die middenstand nu afgebroken. Tussen de ruïnes staan de huizen van de Servische Kosovaren nog fier overeind. Ze zijn te herkennen aan het Servische kruis met vier S-en erin. En ze zijn ongeschonden.

De grensovergang Morinë geeft een andere aanblik. De Serviërs zetten de afgelopen weken honderdduizenden Albenese Kosovaren deze grens over. Het verderop gelegen Noord-Albanese plaatsje Kukës groeide binnen enkele weken van 12.000 naar 100.000 inwoners. Kilometers voor de grensovergang liggen de spullen van de vluchtelingen verspreid in de berm. Een theeketel op een klein fornuis. Een hansop van een kind. Plastic flessen. En mijnen.

,,Blijf op het midden van de weg'', zegt een Servische militair, en klimt op een Duitse tank. Volgens de afspraak begeleiden de Serviërs de Duitse soldaten op hun weg naar de grensovergang.

Er liggen ook mijnen op de grensovergang. Verscheurde paspoorten liggen in de berm — de Serviërs hebben in de begindagen van de oorlog alle identiteitsbewijzen van de vluchtelingen afgenomen. Niemand durft de papieren uit de berm te vissen. Één van de deuren van de Servische politiepost is voorzien van een booby-trap. Een gat in de weg wijst de plaats van een ongeluk aan. Hier reed een Kosovaars gezin tijdens de vlucht op een mijn. In een hoek ligt een stapel afgeschroefde nummerplaten. De meeste kentekens komen uit Prizren.

Inmiddels komen de eerste Kosovaarse vluchtelingen voorzichtig over de grens van Albanese zijde. Jonge durfals zijn het, uit zowel Kosovo als Albanië. ,,Zijn de Serviërs nog aan de andere kant?'', vraagt Dritton, en wijst naar de Servische politiepost. ,,Anders wacht ik nog wel even.'' Even later staat een Servische commandant voor zijn neus. Het is dezelfde commandant die later ook de aanval van de Joegoslavische eenheid in de straten van Prizren leidt. ,,Terug'', commandeert hij. De durfals schrikken. Een van hen zegt pesterig: ,,Wie moet er hier eigenlijk terug?''

Er dreigt een opstootje te ontstaan. ,,We hebben problemen'', kraakt een Duitse soldaat zenuwachtig over de radio. Op de heuvel blijken nog zeventig Joegoslavische soldaten te zitten — wellicht scherpschutters. Zij moeten snel weg, besluiten de Duitsers. De jonge Kosovaren zijn dan al begonnen met de sloop van de duty-free shop; zij rennen naar buiten met een printer en een ventilator. In de chaos gaan twee Albanese jongens er met een kist Servische mortieren vandoor.

Onder luid gejoel, geschreeuw en gescheld komen de Serviërs uiteindelijk de heuvel af. Hun gezichten zijn gespannen. Een enkeling steekt zijn middelvinger op. Op hun ruggen dragen zij hun wapens, aan de hand voeren zij vier herdershonden. Een ongeschonden doorgang eisen zij, maar dat kan de NAVO niet garanderen.

De eerste bussen met Serviërs worden dan ook bekogeld met stenen en stokken. Soldaten en agenten zitten met het hoofd tussen de knieën. Daarna nemen de Serviërs zelf het heft in handen. In open vrachtwagens rijden zij met volle vaart door Prizren, de geweren-op-scherp gericht op de mensenmassa. Aan het einde van de middag beginnen de chauffeurs in de lucht te schieten. TAK-TAK-TAK klinkt het. De mensen op de balkons deinzen terug. Met het invallen van de schemering zetten Joegoslavische speciale eenheden en Servische soldaten de eerste illegale wegblokkades op.

Dan gaat het mis. Even voorbij het feestgedruis openen een Servische agent en zijn collega het vuur op een NAVO-tank. De Duitse soldaten bedenken zich geen moment en schieten terug. De chauffeur wordt geraakt en is dood, zijn passagier raakt zwaargewond en overlijdt later. Een Duitse soldaat raakt gewond aan zijn arm. Het feest eindigt abrupt. De mensen rennen hun huizen in. De Duitsers draaien hun tanks en soldaten zoeken positie in portieken. In de dorpen zijn inmiddels sluipschutters gesignaleerd.

Om de hoek zijn Servische bewoners van Prizren in hun auto's gekropen. ,,We zijn voor niemand bang'', had een van hen nog 's middags gezegd. Maar een tocht door een uitzinnige mensenmassa had hij toch niet aangedurfd. ,,Morgen is er weer een dag'', zegt een Duitse legerwoordvoerder. ,,Dan moeten ze het maar opnieuw proberen.''