Het Europees ideaal moet terugkeren

De Europese Unie kan alleen uitgroeien tot een werkelijke democratie als zowel inwoners als politici van dit werelddeel zich als één volk beschouwen en actief willen deelnemen aan die Europese democratie, vindt Heribert Prantl. Het democratisch tekort is allerminst structureel.

Er bestaat een verhaal, waarmee men vroeger kinderen duidelijk wilde maken hoe lang de eeuwigheid duurt. Het gaat zo: eens in de honderd jaar scherpt een vogel zijn snavel aan een grote rots. Als die rots op deze manier eindelijk geheel is afgesleten, dan is er een seconde van de eeuwigheid voorbij.

Dit oneindige verhaal kan iemand te binnen schieten als het gaat om de vraag of en wanneer uit Europa een democratische staat kan ontstaan. Niet alleen nationale politici, maar ook verlichte en wereldwijze hoogleraren in de rechten geven namelijk op deze vraag een antwoord, dat iedereen die niet in eeuwigheden denkt in vertwijfeling kan brengen. Het democratisch tekort in Europa is, zo beweert men, structureel bepaald; het laat zich door de hervorming van de Europese instituties niet opheffen. En waarom niet? Omdat er, zo wordt in dat geval beweerd, wegens het taalprobleem er `geen Europese publieke opinie', `geen Europees openbaar debat' en `geen Europees volk' bestaan. Als dit werkelijk zo is, dan speelt het Europees Parlement de rol van het vogeltje in het hierboven aangehaalde sprookje.

Zo uitzichtloos is de situatie echter niet. Zij wordt alleen, ook uit egoïstische overwegingen van hen die er zo over praten, graag als uitzichtloos voorgesteld. Het gaat namelijk niet in de laatste plaats om het eigenbelang van de politieke en bureaucratische elites uit de vijftien EU-lidstaten. Minstens eens in de vijf jaar wordt het wat dit betreft duidelijk dat de `taalbarrière' als argument naar voren wordt geschoven. Tenminste eens in de vijf jaar kan men vaststellen dat er in Europa, ondanks alle taalproblemen, een `Europese publieke opinie' en een `Europees debat', ja misschien zelfs wel een (hoewel een op goed te begrijpen gronden nog onwillig) `Europees volk' bestaat. Die dag van voorbijgaand besef is de dag na de verkiezingen voor het Europees Parlement – vandaag dus. En deze hoop voor Europa manifesteert zich nu juist in een grote klaagzang die vandaag kan worden bekrachtigd: van Helsinki tot Palermo zal over de geringe opkomst bij die verkiezingen worden geklaagd. Die klaagzang is zeker terecht en bewijst tevens dat er een gemeenschappelijk debat in heel Europa bestaat.

Gezamenlijk zullen zowel de politiek als de media uitentreuren proberen te verklaren waar de desinteresse vandaan komt en waarom er geen leiderschap is om de Europese idee uit te dragen. In een gemeenschappelijk Europese inspanning zal men daarvoor veel oorzaken vinden: de verwijdering van de Europese politiek zal de reden zijn en dat de mensen niet of niet meer weten wat Europa hun brengt. Men zal erop wijzen dat Europese politiek op geheime wetenschap lijkt en dat zelfs geïnteresseerden nauwelijks weten waar wie met welke legitimatie in Brussel opereert. Men zal zich beklagen over het egocentrisme van de nationale politici die successen voor zichzelf opeisen en tegneslag op het conto van Brussel schrijven. Het is zoals Klaus Hansch, de vroegere voorzitter van het Europees Parlement, eens treffend heeft beschreven: ,,De zon is te danken aan het eigen land, regen storm en sneeuw zijn altijd de schuld van de Europese Gemeenschap.'' Dat klinkt aardig, maar eigenlijk is het een heel bittere constatering. De mensen ergeren zich daaraan en zo is Europa verandert van een droom in een trauma.

Wanneer naar aanleiding van de slechte opkomst over zulke tekorten in heel Europa gedebatteerd kan worden, dan moet het toch eigenlijk ook lukken om in heel Europa een debat aan te zwengelen over de vraag hoe deze tekorten te lijf moeten worden gegaan, bijvoorbeeld in het kader van een debat over een Europese grondwet. Vroeger begonnen politici hun redevoeringen met de zin: ,,Ik ben voor Europa, en daarom ...'' Nu zeggen ook pleitbezorgers van Europa: ,,Ik ben voor Europa, maar ...'' Zoiets laat zijn sporen na en het resultaat van de verkiezingen getuigt daarvan.

Ook kanselier Schröder huldigde, toen hij in zijn nieuwe ambt aantrad, het vooroordeel dat Europa in eerste instantie een melkmachine is die geld van de Duitsers aftapt. Zo'n beeld zet zich vast in de hoofden van mensen. Veel zegeningen van Europa zijn inmiddels zo vanzelfsprekend dat mensen ze nog nauwelijks meer opmerken. Wat wel wordt waargenomen, en overdreven, zijn de donkere kanten. En dan helpt het niet echt wanneer een paar weken lang een oude Euroscepticus als de premier van Beieren, Edmund Stoiber, het publiek aan het verstand probeert te brengen dat Duitsland vandaag de dag voor vijftig procent door Brussel wordt geregeerd en dat men de Europese verkiezingen moet aangrijpen om op dat proces invloed uit te oefenen. Niet helemaal ten onrechte geloven mensen niet zo erg in deze invloed.

Natuurlijk is meer Europa en meer democratie mogelijk – ja, het is zelfs dringend gewenst. Maar Europese democratie ontstaat niet door het samenvoegen van vijftien (of meer) democratieën. Ze functioneert alleen wanneer de mensen, en de door hen gekozen Europese afgevaardigden, rechten krijgen. De nationale regeringen willen dat niet, het zou hun invloed te zeer aantasten – de uitvoerende macht kan zich dan niet meer als Europese wetgever gedragen.

Zolang dat zo is, zijn de Europese verkiezingen niet veel meer dan een oefening in democratie in een ondemocratische Europese Unie. De toekomst moet er zo uit gaan zien: Europese democratie in plaats van bureaucratische EU-diplomatie – dan zal Europa groeien.

Heribert Prantl is redacteur van de Süddeutsche Zeitung.

© Süddeutsche Zeitung