Groen albast

Het is de vraag van een gek: wat vind je het mooiste, het allermooiste om te zien?

Niet sentimenteel doen, niet over geliefde ogen of het neusje van de poes beginnen, gewoon kiezen uit de meer algemene dingen die je wel eens ziet. De diep-gekerfde stammen van de populieren die hier verderop langs de rivier uit de grond omhoog komen, onbegrijpelijk dik. De Oude Kerk minus het volk er omheen. Lapis lazuli.

Maar het mooiste, een dagelijks genoegen om naar te kijken, een onuitputtelijke bron van verwondering, is water. Het blad Kunstschrift heeft er een themanummer aan gewijd, vol met schitterende illustraties en onmisbaar voor de liefhebber, maar natuurlijk niet afdoende. Het gaat daar in de eerste plaats over kunst, over de manieren waarop kunstenaars en fotografen door de eeuwen heen water hebben afgebeeld. Op zichzelf een fantastisch onderwerp; er is echter één ding dat nog mooier is dan plaatjes met water, en dat is het water zelf.

Als je een keer hebt gezien dat een spiegelende plas een gat in het landschap is, geeft voortaan iedere plas opnieuw plezier. Vooral plassen in karrensporen, zoals die door M.C. Escher eens zo mooi in een houtsnede zijn afgebeeld. Stukken hemel tussen de modder. Wie vreest dat ik ooit somber zou worden moet mij dat laten zien.

Enig begrip voor water – of beter gezegd, oog voor de volle raadselachtigheid ervan – krijg je pas als je er op of er in zit, zwemmend of vanuit een boot. Ik moet bekennen dat ik er altijd bang voor ben geweest. Er is een foto van mij, tien jaar oud, met een van angst vertrokken gezicht in een gondel in Venetië. Mijn hele bevoorrechte jeugd, waarin menig bootje voorkomt en zelfs een tuin met een zwembad, heeft mij van die angst niet kunnen bevrijden. Ik vind varen alleen bij mooi weer echt leuk, en zelfs in bad dompel ik mijn gezicht nog niet onder. Heilig ontzag is het woord.

Maar mooi dat het is! Als je kijkt vanaf het dek van een schip, vooral op open water, dringt het vreemde van dat element pas goed tot je door. Kijk niet naar de einder, maar lager, naar het losse goedje dat niettemin sterk genoeg is om een schip te dragen. Het oppervlak lijkt soms een vel, met golverigheid die aan fluweel doet denken, of olie. Maar er is geen vel, en je weet wat er gebeurt als er iets in valt.

Bijna iedere zomer, meestal tegen het eind van de vakantie, is er een dag dat je je op het IJsselmeer of het Wad bevindt, er is geen zuchtje wind, het water is glad – en de horizon weg. Lucht en water zijn één bleke, heiige eenheid waarin op willekeurige plaatsen zeilbootjes drijven.

En dan het klieven, de manier waarop de boeg van een schip door het water snijdt zodat aan weerszijden twee glasheldere plakken water omhoog springen, die bovenaan toch de moed opgeven en in druppels neerstorten. Zware vrachtschepen klieven niet maar stuwen, het hele wateroppervlak rijst op als een bult voor hun neus. John Ruskin heeft, in een boek over de schilder Turner, een lofzang geschreven op the bow of a boat, het mooiste op aarde volgens hem. De boot lijkt hem meer te boeien dan het water; het is natuurlijk de combinatie van beide die je hart doet zwellen.

Een halfdoorschijnende golf, groen albast. Hoe is het mogelijk dat mensen zich er altijd aan hebben toevertrouwd, aan die vreemde, verraderlijke substantie? Een wereld naast de wereld, waarin dingen niet zijn wat ze lijken – een straal water is een touw, een stroming kan maken dat je denkt dat je vaart terwijl je stil ligt, een spiegeling verbergt een peilloze afgrond. Om van het wilde tekeergaan nog te zwijgen, het beuken van golven, de oorverdovende reuzenklap waarmee je schip neerkomt na idioot hoog te zijn opgetild.

's Nachts, als de wind is gekalmeerd, hoor je het water zachtjes tegen de scheepswand klotsen alsof er niets is gebeurd. Als je even aan dek gaat zie je de havenlichten weerspiegelen in het beweeglijk-zwarte water. Er drijven wat slapende eenden langs, en een oude plank. Mooi, ontzagwekkend mooi is dat.